Einde inhoudsopgave
Het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel (FM nr. 170) 2021/5.4.3
5.4.3 Het recht op voldoende tijd ter voorbereiding van de verdediging
Anneke Els Keulemans, datum 01-08-2021
- Datum
01-08-2021
- Auteur
Anneke Els Keulemans
- JCDI
JCDI:ADS362867:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Beroepsfase
Fiscaal procesrecht / Procesorde
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Fiscaal bestuursrecht / Bezwaarfase
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HvJ 23 oktober 1974, zaak 17/74, (Transocean Marine Paint Association), punt 15; zie ook: Keulemans 2016A onder 2.2.4.
HvJ 3 juli 2014, zaken C-129/13 en C-130/13, (Kamino), punt 33; Zie ook: HvJ 18 december 2008, zaak C-349/07, (Sopropé), punt 37; HvJ 24 oktober 1996, zaak C-32/95 P, (Lisrestal), punt 21; HvJ 21 september 2000, zaak C-462/98 P, (Mediocurso), punt 36; Brink, van den, e.a., 2017, p. 236.
HvJ 18 december 2008, zaak C-349/07, (Sopropé), punten 42 tot en met 48; Zie ook Jans e.a. 2017, onder 6.2.3.
HvJ 14 mei 2009, zaak C-161/08, (Jan de Lely), punt 71.
HvJ 18 december 2008, zaak C-349/07, (Sopropé), punt 38.
HvJ 30 juni 1971, zaak 19/70, (Almini), punten 13 en 14; zie ook: Keulemans 2016A onder 2.2.4.
HvJ 19 april 1988, zaak 319/85, (Misset), punt 8.
HvJ 18 december 2008, zaak C-349/07, (Sopropé), punt 39 e.v.
Verordening nr. 99/63/EEG van de Commissie van 25 juli 1963 over het horen van belanghebbenden en derden overeenkomstig artikel 19, leden 1 en 2, van verordening nr. 17 van de Raad (artikel 11) gaat bijvoorbeeld uit van minimaal twee weken met de mogelijkheid tot verlenging.
HvJ 14 februari 1978, zaak 27/76, (United Brands), punten 272 en 273.
Maagdenberg, van den en Meijerman 2018, onder 2.2.2.1.
Het derde deelaspect van het kenbaarmakingsbeginsel is het recht op voldoende tijd ter voorbereiding van de verdediging.1 Dit recht vereist dat bestuursorganen de adressaten van voorgenomen bezwarende besluiten in staat stellen naar behoren en effectief een standpunt kenbaar te maken over de elementen waarop een bestuursorgaan een besluit wil baseren. Deze adressaten dienen daartoe over een toereikende termijn te beschikken.2 Of de termijn voldoende is, is afhankelijk van het belang van de te nemen besluiten voor de belanghebbende, de complexiteit van de zaak (procedure en wetgeving), het aantal personen dat het besluit kan raken, de overige in aanmerking te nemen publieke of particuliere belangen, de omvang van het dossier en de positie van de belanghebbende en diens kennis van de bevindingen van het bestuursorgaan.3 De wettelijke termijn – voor zover die er is – is daarbij niet doorslaggevend. De termijn moet voldoende zijn om het de belanghebbende materieel mogelijk te maken zijn standpunt naar behoren en effectief kenbaar te maken.4 Hierbij geldt wel dat als het nationale recht deze termijn regelt, de termijn niet korter mag zijn dan de termijnen waarover (rechts)personen in vergelijkbare nationaalrechtelijke situaties beschikken. Bovendien mag de termijn de uitoefening van de door het Gemeenschapsrecht verleende rechten van de verdediging in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken. Dit betekent dat moet worden voldaan aan het gelijkwaardigheidsbeginsel en doeltreffendheidsbeginsel (paragraaf 7.1).5
Verschillende arresten geven aanwijzingen over de lengte van de termijn. De zaak Almini betrof een ambtenaar die met het besluit werd ontheven uit zijn functie.6 Hij ontving een brief waarin een termijn van vier dagen werd gegeven voor het indienen van eventuele opmerkingen over het voorgenomen besluit. Deze termijn vond het Hof van Justitie te kort, omdat de betrokkene op die manier niet in staat was zich uit te spreken over de factoren die kennelijk de grondslag waren van de beslissing. Een telefonische oproep op de dag zelf was in de zaak Misset ook niet voldoende.7 In Sopropé werd een termijn van acht tot vijftien dagen wel als voldoende gezien.8 Ook Europese verordeningen geven aanwijzingen over de termijnen en noemen bijvoorbeeld termijnen van twee weken, verlengbaar tot maximaal twee maanden.9 Als de betrokkene twee maanden de tijd heeft gehad zijn opmerkingen in te dienen met betrekking tot de elementen waarop een bestuursorgaan een besluit wil baseren, dan zullen de rechten van de verdediging in het algemeen niet zijn geschonden.10 Gelet op het vorenstaande zullen termijnen van enkele weken en langer in beginsel voldoende zijn. Voor zeer omvangrijke dossiers met wellicht ook nog veel stukken in een andere taal is het denkbaar dat termijnen tot twee maanden onvoldoende zijn. Ook Van den Maagdenberg en Meijerman wijzen erop dat een redelijke termijn afhankelijk is van de juridische en feitelijke context van een zaak.11