Einde inhoudsopgave
Het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel (FM nr. 170) 2021/5.5.3
5.5.3 De codificatie van het kenbaarmakingsbeginsel in het DWU
Anneke Els Keulemans, datum 01-08-2021
- Datum
01-08-2021
- Auteur
Anneke Els Keulemans
- JCDI
JCDI:ADS362891:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Beroepsfase
Fiscaal procesrecht / Procesorde
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Fiscaal bestuursrecht / Bezwaarfase
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Verordening (EU) 952/2013 van het Europese Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie, onder 27.
Verordening (EU) 2015/2447 van de Commissie van 24 november 2015 houdende nadere uitvoeringsvoorschriften voor enkele bepalingen van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie, onder 11.
Verordening (EU) 2015/2446 van de Commissie van 28 juli 2015 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad met nadere regels betreffende een aantal bepalingen van het douanewetboek van de Unie, p. 2 onder 10.
Met ingang van 1 mei 2016 is het DWU in werking getreden. In het DWU is het kenbaarmakingsbeginsel gecodificeerd. Deze codificatie kan van belang zijn bij het bepalen van de omvang van het kenbaarmakingsbeginsel buiten het douanerecht. De preambules bij de verordeningen die het douanerecht regelen maken duidelijk dat overeenkomstig het Handvest eenieder het recht heeft een standpunt naar behoren en effectief kenbaar te mogen maken over de elementen waarop een bestuursorgaan een besluit wil baseren voordat het een voor hem ongunstige beschikking treft (verordening 952/20130).1 Om uitvoering te geven aan het kenbaarmakingsbeginsel, moeten procedureregels worden vastgelegd voor de uitoefening van dat recht, waarbij ook rekening wordt gehouden met de jurisprudentie van het Hof van Justitie en de grondrechten, vooral het recht op behoorlijk bestuur (uitvoeringsverordening 2015/2447).2 De termijn voor de uitoefening van het hoorrecht door een persoon die een aanvraag doet voor een beschikking betreffende de toepassing van de douanewetgeving (aanvrager) moet voldoende zijn om de aanvrager in staat te stellen zijn standpunt voor te bereiden en in te dienen bij de douaneautoriteiten (verordening 2015/2446).3 Hieruit blijkt wederom het materiële karakter van het kenbaarmakingsbeginsel. De mogelijkheid bestaat het kenbaarmakingsbeginsel te beperken (verordening 2015/2446 en 2017/2447). Daarbij moet een evenwicht worden gevonden tussen een doeltreffend optreden van de douaneautoriteiten en de eerbiediging van het kenbaarmakingsbeginsel. Het kenbaarmakingsbeginsel is met de voormelde uitgangspunten neergelegd in artikel 22, zesde lid, eerste alinea, van het DWU:
“Artikel 22
Beschikkingen naar aanleiding van aanvragen
(…)
6. Voordat een voor de aanvrager ongunstige beschikking wordt verleend, delen de douaneautoriteiten hem mee op welke gronden zij voornemens zijn hun beschikking te baseren. De aanvrager wordt in de gelegenheid gesteld zijn standpunt kenbaar te maken binnen een specifieke termijn, die aanvangt op de datum waarop hij die mededeling ontvangt of wordt geacht die te hebben ontvangen. Na het verstrijken van deze termijn wordt aan de aanvrager in de passende vorm mededeling gedaan van de beschikking.”
Artikel 22 van het DWU ziet expliciet op beschikkingen op aanvraag. Het kenbaarmakingsbeginsel is echter ook van toepassing op andere voorgenomen bezwarende besluiten, die niet op aanvraag zijn verstrekt. Artikel 29 van het DWU regelt namelijk dat ten aanzien van beschikkingen zonder voorafgaande aanvraag artikel 22, zesde lid, van het DWU ook van toepassing is. De douaneautoriteiten dienen allereerst mee te delen op welke gronden zij voornemens zijn hun beschikking te baseren (eerste deelaspect). Vervolgens krijgt de aanvrager een termijn (derde deelaspect) en mag de aanvrager zijn standpunt kenbaar maken (vierde deelaspect). Wat aan dit artikel onmiddellijk opvalt, is dat het artikel het recht op (inzage in) de stukken (tweede deelaspect) niet regelt. Waarom dit recht niet duidelijk neergelegd is in artikel 22 van het DWU blijft onopgehelderd. Hierdoor kan onduidelijkheid bestaan over het recht op (inzage in) de stukken.