Einde inhoudsopgave
Het akkoord (O&R nr. 60) 2011/8.7.4
8.7.4 Criteria art. 287a Fw
Mr. A.D.W. Soedira, datum 25-02-2011
- Datum
25-02-2011
- Auteur
Mr. A.D.W. Soedira
- JCDI
JCDI:ADS442374:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. HR 12 augustus 2005, NJ 2006, 230, JOR 2005/257 (Groenemeijer/Payroll); Rb. Almelo 4 februari 1998, JOR 1998/66, nt. Soedira en Rb. Zwolle 2 februari 2001, KG 2001, 136.
De genoemde omstandigheden zijn niet limitatief, maar in de rechtspraak wel de meest voorkomende. Kamerstukken II2004-2005, 29 942, nr. 3. Wessels gaat uitvoerig in op de omstandigheden waaronder een weigerachtige schuldeiser tot deelneming aan een buitengerechtelijke regeling kan worden gedwongen. Wessels, Insol ventierecht VI, derde druk, 2010, par. 6222 e.v. Vgl. ook Van der Heiden, Buitengerechtelijke dwangakkoord; een vrijwillig faillissement, Prg. 1997, p. 651 e.v.
Zie onder meer Rb. Haarlem 3 augustus 1993, Prg. 1993, 3993 en KG 1993, 350; Ktg. Utrecht 3 mei 1994, Prg. 1994,4189; Hof Arnhem 8 november 1994, KG 1994,448; Rb. Breda 20 december 1994, KG 1995, 45; Rb. Zutphen 5 maart 1997, KG 1997,126; Rb. Zwolle 26 april 1996, KG 1996,192; Rb. Zutphen 29 januari 1997, KG 1997, 63 en Hof Leeuwarden 10 september 1997, NJ 1998,930. Zie Wessels, Insolventierecht VI, derde druk, 2010, par. 6230.
In gelijke zin Rb. Haarlem 3 augustus 1993, Prg. 1993, nr. 3993, nt. Van der Heiden; Rb. Breda 20 december 1994, KG 1995, 44 en Rb. Zwolle 26 april 1996, KG 1996, 192. Zie Wessels, Insolventierecht VI, derde druk, 2010, par. 6227.
Zie onder meer Hof Arnhem 8 november 1994, KG 1994, 448; Pres. Rb. Zutphen 29 januari 1997, KG 1997, 63; Pres. Rb. Zutphen 5 maart 1997, KG 1997, 126; Hof Leeuwarden 10 september 1997, NJ 1998,930. Zie Wessels, Insolventierecht VI, derde druk, 2010, par. 6229.
Zie onder meer Ktg. Utrecht 3 mei 1994, Prg. 1994, 4189; Rb. Utrecht 13 april 1995, KG 1995, 243; Rb. Utrecht 20 juni 1995, KG 1995, 293; Ktg. Apeldoorn 20 november 1996, Prg. 1997, 4823 en Ktg. Amsterdam 13 oktober 1998, Prg. 1999, 5082. Zie Wessels, Insolventierecht VI, derde druk, 2010, par. 6231.
Vgl. Van der Heiden, annotatie onder Ktg. Gouda 1 augustus 1996, Prg. 1997, 4822 en Wessels, Insolventierecht VI, derde druk, 2010, par. 6235.
Vgl. Rb. Zutphen 5 maart 1997, KG 1997,126; Ktg. Amsterdam 13 oktober 1998, Prg. 1999, 5082 en Ktg. Utrecht 3 mei 1994, Prg. 1994, 4189. In andere zin Ktg. Gouda 1 augustus 1996, Prg. 1997, 4822.
Nu de wetgever bij de belangenafweging van art. 287a Fw de criteria van de lagere rechtspraak betreffende het kunnen verplichten van een weigerachtige schuldeiser deel te nemen aan een buitengerechtelijke regeling heeft overgenomen, zal hierna kort op die criteria worden ingegaan. Hierbij dient echter opgemerkt te worden dat, indien een buitengerechtelijke regeling voldoet aan de hierna te noemen basisvoorwaarden, hiermee nog niet is gezegd dat de rechter een weigerachtige schuldeiser daardoor steeds zal verplichten zijn instemming eraan te verlenen. De vraag of een weigerachtige schuldeiser onder omstandigheden kan worden gedwongen deel te nemen aan een buitengerechtelijke regeling, dient immers altijd aan een zelfstandige toets te worden onderworpen en is een rechterlijke afweging van de feiten en omstandigheden van het concrete geval, in het bijzonder een belangenafweging van de weigerachtige schuldeiser enerzijds en de schuldenaar anderzijds.1 In de memorie van antwoord worden omstandigheden genoemd die bij die belangenafweging een rol kunnen spelen.2
het schikkingsvoorstel dient door een onafhankelijke en deskundige partij te zijn getoetst (bijvoorbeeld een gemeentelijke kredietbank);3
het voorstel dient goed en betrouwbaar gedocumenteerd te zijn;4
het voorstel dient het uiterste te zijn waartoe de schuldenaar financieel in staat moet worden geacht;5
het alternatief van faillissement of schuldsanering dient enig uitzicht te bieden voor de schuldenaar;
het alternatief van faillissement of schuldsanering dient enig uitzicht te bieden voor de schuldeiser: hoe groot is de kans dat de weigerende schuldeiser dan evenveel of meer zal ontvangen?;6
het is aannemelijk dat gedwongen medewerking aan een schuldregeling voor de schuldeiser concurrentieverstorend werkt;
er bestaat precedentwerking voor vergelijkbare gevallen;
wat is de zwaarte van het financiële belang dat de schuldeiser heeft bij volledige nakoming?;
hoe groot is het aandeel van de weigerende schuldeiser in de totale schuldenlast?;
de weigerende schuldeiser staat alleen naast de overige met de schuldregeling instemmende schuldeisers;
er is eerder een minnelijke of gedwongen schuldregeling geweest die niet naar behoren is nagekomen.
De opsomming is niet limitatief. Er kunnen meer omstandigheden zijn waarmee de rechter in zijn afweging rekening kan houden. Ik noem hier alleen nog dat in een voorstel de paritas creditorum zo veel mogelijk gerespecteerd dient te worden. Hetzelfde uitgangspunt geldt voor de akkoorden in de Faillissementswet. Afwijking van de paritas creditorum bij de wettelijke akkoorden is slechts mogelijk indien hiervoor een rechtvaardiging aanwezig is. Ook voor een buitengerechtelijke regeling is art. 3:277 BW het uitgangspunt. Afwijking hiervan is dan ook alleen mogelijk, indien van een rechtvaardiging blijkt.7 In de jurisprudentie is eveneens te zien dat in beginsel de paritas creditorum moet worden gerespecteerd.8