Einde inhoudsopgave
Aandeelhoudersverantwoordelijkheid (VDHI nr. 129) 2015/7.7.3
7.7.3 Een verbetering van de mogelijkheid tot het definitief overdragen van aandelen
Mr. B. Kemp, datum 21-07-2015
- Datum
21-07-2015
- Auteur
Mr. B. Kemp
- JCDI
JCDI:ADS296532:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Hoofdstuk 7, paragraaf 7.4.6.
Evenzo: Schild 2012, p. 166; Timmerman in zijn conclusie voor HR 23 maart 2012, NJ 2012, 393 m.nt. Van Schilfgaarde.
Met de flexibilisering van de besloten vennootschap is ook de mogelijkheid aangegrepen om een aantal wijzigingen door te voeren in de geschillenregeling. Desalniettemin kent ook de huidige regeling nog haar onvolkomenheden (Van Schilfgaarde/Winter & Wezeman 2013, nr. 114). Zie over de oorspronkelijke bezwaren tegen de geschillenregeling, de verbeteringen als gevolg van de Flex-BVen de huidige onvolkomenheden van de geschillenregeling: Storm 2014-1, p. 267-270.
De mogelijkheden tot verbetering van de geschillenregeling blijven hier verder buiten beschouwing, maar daarvoor kan wel worden verwezen naar onder meer: Bulten 2011, p. 373-375.
Kamerstukken II 2011/12, 32426, nr. 20, p. 1 en 2.
Naar analogie, omdat de geschillenregeling zelf niet voorziet in de mogelijkheid om de geschillenregeling in kort geding toe te passen (Slagter/Assink 2013, p. 1320). In de praktijk is meermaals uitstoting of uittreding van een aandeelhouder gevorderd, maar dit is veelal afgewezen. Een wat curieuze uitzondering hierop vormt de uitspraak van het Hof ’s-Gravenhage, waar uitstoting werd gevorderd zonder (naar analogie) een beroep te doen op de regeling betreffende uitstoting of een andere juridische grondslag (Hof ’s-Gravenhage 31 januari 2006, JOR 2006, 175 m.nt. Bulten). Zie kritisch hierover: Bulten in haar annotatie in JOR 2006, 175; Slagter/Assink 2013, p. 1322.
Slagter/Assink 2013, p. 1323.
De voorzieningen die kunnen worden gevorderd zijn limitatief opgenomen in artikel 2:356 BW (Storm 2014-1, p. 175; Geerts 2004, p. 276). Het lijkt mij in ieder geval niet mogelijk (en wenselijk) een onmiddellijke voorziening te treffen waarbij de aandelen definitief worden overgedragen.
Zie bijvoorbeeld: Bulten 2011, p. 326-327; Leijten & Nieuwe Weme 2012, p. 159 e.v.; Willems 2011, p. 167.
Hierboven is gewezen op de (on)mogelijkheid van het definitief overdragen van aandelen binnen een enquêteprocedure.1 Daarvoor lijkt de geschillenregeling de aangewezen weg.2 De geschillenregeling is echter een procedure die lange tijd in beslag kan nemen, zelfs na de recente verbeteringen op dit punt.3 Dit kan problematisch zijn, omdat een patstelling tussen aandeelhouders, bijvoorbeeld in een joint venture, die niet meer verder willen maar het niet eens kunnen worden over de wijze waarop zij afscheid moeten nemen, onnodig lang kan voortduren, als gevolg waarvan de vennootschap onnodig lang schade kan lijden door de tussen partijen bestaande patstelling. Een verbetering van de mogelijkheden tot uittreding en/of uitstoting is derhalve wenselijk en daartoe lijken – in de kern – twee mogelijkheden te bestaan.
De eerste mogelijkheid is gelegen in een (verdere) verbetering van de geschillenregeling.4 Deze mogelijkheid is ook al aangekondigd,5 maar een daadwerkelijk wetsvoorstel is er vooralsnog niet. Een kans die wellicht als alternatief op een wetswijziging bestaat is om de geschillenregeling naar analogie toe te passen binnen het kort geding.6 Dan moet wel sprake zijn van een klemmende reden.7
De tweede mogelijkheid is gelegen in een uitbreiding van de voorzieningen die kunnen worden verzocht in een enquêteprocedure, wanneer wanbeleid is geconstateerd.8 De wenselijkheid van een wetswijziging die het mogelijk maakt binnen de enquêteprocedure aandelen definitief over te dragen is veelvuldig geopperd.9 De behoefte bestaat dus. Desalniettemin rijst de vraag of de enquêteprocedure het geschikte instrument is om een aandeelhouder van zijn aandeelhouderschap te ontdoen. Daar was nu juist de geschillenregeling op gericht.