Einde inhoudsopgave
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/5.7.3
5.7.3 Artikel 4.6 § 1, 3° BBW: niet automatisch onwaardig bij feiten zonder de dood tot gevolg
mr. M. de Vries, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. M. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS859047:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Art. 409 § 4 BSr betreft de opzettelijke verminking zonder het oogmerk om te doden, maar met de dood tot gevolg en is daarom onder de eerste twee onwaardigheidsgronden opgenomen.
Parl.St. Senaat 2011/12, nr. 5-550/3, p. 16, Barbaix 2018, p. 430-431 en Casman 2013, p. 20.
Parl.St. Senaat 2011/12, nr. 5-550/3, p. 16.
Parl.St. Senaat 2011/12, nr. 5-550/8, p. 24.
Zie hierover nader par. 5.7.
Parl.St. Senaat 2011/12, nr. 5-550/3, p. 15. In de parlementaire geschiedenis wordt niet verder geëxpliciteerd in welke wetgevingen het aan de rechter is om te beslissen of de gedraging tot onwaardigheid leidt. Een voorbeeld waar de rechter een dergelijke beoordelingsvrijheid heeft, betreft Québec. In de Code Civil of Québec zijn een aantal concreet omschreven gedragingen opgenomen die tot onwaardigheid leiden. In andere gevallen beschikt de rechter over beoordelingsvrijheid en kan hij een persoon onwaardig verklaren die zich zeer laakbaar jegens de erflater heeft gedragen (art. 620 en 621 van de Code Civil of Québec), Popovici & Smith, in: Comparative Succession Law: Volume III: Mandatory Family Protection 2020, p. 525. Gedacht kan ook worden aan Zuid-Afrika. In het Zuid-Afrikaanse recht is een persoon onwaardig die zich in het algemeen uiterst laakbaar heeft gedragen jegens de erflater, Kolkman, in: Comparative Succession Law: Volume III: Mandatory Family Protection 2020, p. 341. Zie ook de literatuurverwijzingen aldaar. Het gaat het bestek van dit onderzoek te buiten deze rechtssystemen aan een verdere analyse te onderwerpen.
Parl.St. Senaat 2011/12, nr. 5-550/3, p. 15-16 en Casman 2013, p. 19. Zie hierover ook het eerste uitgangspunt dat besproken is in par. 5.7.
De derde onwaardigheidsgrond bevat een aparte categorie aan strafbare feiten die niet automatisch tot onwaardigheid leiden. Ook deze onwaardigheidsgrond is ingevoerd in 2012. De wetgever heeft gekozen voor de toevoeging van een uiterst beperkte lijst van strafbare feiten die niet de dood van de erflater tot gevolg hebben. Het gaat hierbij om feiten die een gewilde aantasting inhouden van de fysieke integriteit van de erflater, zijnde: verkrachting, (art. 375 BSr), opzettelijke slagen en verwoningen (art. 398-400 BSr), opzettelijke toediening, zonder het oogmerk te doden, van lethale of zwaar gezondheidsschadende stoffen met ziekte of arbeidsongeschiktheid tot gevolg (art. 402 BSr), of met een ongeneeslijk lijkende ziekte, blijvende arbeidsongeschiktheid of volledig verlies van het gebruik van een orgaan tot gevolg (art. 403 BSr) alsmede de poging tot opzettelijke toediening zonder het oogmerk te doden (art. 405 BSr) en opzettelijke verminking die niet de dood tot gevolg heeft (art. 409 § 1 tot 3 en § 5).1 Daarnaast bevat de lijst het schuldig verzuim om hulp te verlenen aan een persoon die in groot gevaar verkeert (art. 422bis BSr).2 Al deze feiten zijn volgens de wetgever zodanig ernstig en zodanig verwerpelijk dat ze, indien in familieverband gepleegd, ook onwaardigheid tot gevolg moeten kunnen hebben. Deze selectie kadert bovendien in een beleid dat tegen huiselijk of intrafamiliaal geweld is gericht, aldus de wetgever.3 Het gaat hier om geweld in familieverband vanwege het feit dat onwaardigheid in België enkel speelt in het versterferfrecht. Het versterferfrecht is gebaseerd op bloedverwantschap.
Casman merkt tijdens de parlementaire behandeling nog op dat deze limitatieve en relatief enge opsomming van strafbare feiten is ingegeven door een zeker parallellisme met andere bepalingen van het Belgisch Burgerlijk Wetboek waar sprake is van huiselijk geweld, hetgeen een bewuste beleidskeuze betreft.4
De wetgever houdt hiermee dus vast aan het uitgangspunt dat de onwaardigheidsgronden nog altijd limitatief zijn en dat er duidelijk afgebakende criteria zijn die een persoon onwaardig maken.5 Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat dit een bewuste keuze is geweest. De Senaatscommissie voor Justitie merkt hierover op dat historisch en rechtsvergelijkend onderzoek uitwijst dat in sommige landen de lijst van feiten die tot onwaardigheid kunnen leiden soms erg lang is, maar ook dat het in vele gevallen aan de rechter wordt overgelaten om over de ernst van die feiten te oordelen en dus te beslissen of de gedraging moet leiden tot onwaardigheid.6 De Senaatscommissie voor Justitie is gekant tegen een dergelijke uitbreiding van onwaardigheidsgronden en zeker tegen de toekenning van beoordelingsbevoegdheid aan de civiele rechter als het gaat om de ernst van de feiten, met het oog op het uitspreken van een eventuele onwaardigheid, die door belanghebbende erfgenamen zou worden gevorderd. De Senaatscommissie legt hieraan ten grondslag dat zij het risico wil vermijden van een toename aan procedures, van divergerende rechtspraak die de rechtszekerheid geen goed doet en van discussies die voor de rechter uitvergroot worden om zijn verontwaardiging te wekken voor feiten die volgens de ene erfgenaam gepleegd zouden zijn door een andere erfgenaam. Daar komt bij dat het volgens de Senaatscommissie voor de civiele rechter een veel te moeilijke taak is om de exacte toedracht van de feiten te achterhalen indien er geen strafprocedure of zelfs geen strafrechtelijk onderzoek is gevoerd.7
5.7.3.1 Poging, mededader en medeplichtige5.7.3.2 Schuldigbevinding5.7.3.3 Onwaardigheid niet van rechtswege