Einde inhoudsopgave
Lokale democratische innovatie (R&P nr. DR2) 2021/8.3.3
8.3.3 De uitbreiding van controle door de raad over medebewind
mr. drs. J. Westerweel , datum 01-03-2020
- Datum
01-03-2020
- Auteur
mr. drs. J. Westerweel
- JCDI
JCDI:ADS248528:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Staatsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
‘De leden van het college van burgemeester en wethouders zijn, ieder afzonderlijk en te zamen, voor het door het college gevoerde bestuur van de huishouding der gemeente aan den raad verantwoording schuldig, en geven hem te dien aanzien alle verlangde inlichtingen.’ Er gingen echter tijdens de parlementaire behandeling van de Gemeentewet 1931 ook al stemmen op om de verantwoordingsplicht op het gehele bestuur van toepassing te verklaren. Het amendement-Marchant, dat daarin beoogde te voorzien, werd verworpen met 48 tegen 27 stemmen. Kooiman en Kan 1931, p. 275.
Dölle en Elzinga 2004, p. 503.
Besluit van de raad van de gemeente Almelo, KB 20 april 1932, Stb. 1932, 172 en besluit van de raad van de gemeente Zandvoort, KB 11 augustus 1948, Stb. I, 363, in: Dölle en Elzinga 2004, p. 503.
HR 16 juni 1950, NJ 1951/653.
Wet van 25 januari 1962, Stb. 1962, 17.
Zoals hiervoor al aan bod kwam, kent de gemeentewet sinds 1851 een bepaling dat het college over het dagelijks bestuur verantwoording verschuldigd is aan de raad. Lange tijd werd aangenomen dat de verantwoordingsplicht zich alleen uitstrekte over het door het college gevoerde bestuur van de eigen huishouding. Het medebewind dat werd opgedragen aan het college of de burgemeester, dat gaandeweg steeds belangrijker werd, viel buiten het bereik van de raad. In 1931 werd deze opvatting door de wetgever nog bevestigd door het expliciet in het toenmalige artikel 216 van de gemeentewet op te nemen.1 Verschillende gemeenteraden probeerden desondanks toch burgemeesters en colleges ter verantwoording te roepen over de uitoefening van medebewindsbevoegdheden. Dölle en Elzinga halen besluiten van de raad van de gemeenten Almelo en Zandvoort als voorbeeld aan, waarin de burgemeester en het college over medebewindsbevoegdheden werden geïnterpelleerd.2 De Kroon wilde niets van deze interpellaties weten en vernietigde de besluiten.3 Controle door de raad bleef daarmee beperkt tot de eigen huishouding. Een belangrijke stap naar de uitbreiding van de controlerende functie werd gezet in 1950 toen de Hoge Raad in het Haarlemmermeerarrest bepaalde dat gemeenten aansprakelijk waren voor handelingen uitgevoerd in medebewind.4 Vervolgens werd in 1962 in de Provinciewet een verantwoordingsplicht voor medebewindstaken geïntroduceerd voor Gedeputeerde Staten.5 Minister Struycken gaf als argument daarvoor dat de provincie ook bij medebewind het belang van haar ingezetenen behartigde. Hij bracht daarnaast een argument van de Staatscommissie-Van Schaik naar voren dat, zelfs als men vasthield aan een principieel onderscheid tussen autonomie en medebewind, aan beide vormen dezelfde rechtsgevolgen verbonden moesten zijn.6
In 1969 was het de beurt aan de gemeenten. Met verwijzing naar het Haarlemmermeerarrest stelde minister Beernink dat het een eis van democratie was dat het college verantwoording aan de raad aflegde over medebewindstaken omdat het ook dan als orgaan van de gemeente optreedt.7 Voor de burgemeester ging hetzelfde gelden, op grond van een iets andere argumentatie. Het bezwaar dat in 1931 tegen een verantwoordingsplicht van de burgemeester was ingebracht, was dat deze zijn bevoegdheden als hoofd van de politie ontleende aan zijn aanstelling door de Kroon. Hij was daarom over de uitoefening van zijn bevoegdheden verantwoording verschuldigd aan de regering. Een dubbele verantwoordingsrelatie zou hem in een spagaat hebben gebracht. De raad beschikte daarnaast ook niet over sanctiemogelijkheden, waardoor het volgens tegenstanders van een verantwoordingsplicht een onjuiste figuur zou zijn.8 De minister gaf in 1969 een draai aan deze argumenten met een beroep op de Grondwet. Het feit dat de burgemeester door de Kroon werd benoemd, deed niet ter zake omdat ook de burgemeester aangemerkt werd als orgaan van de gemeente. Aangezien de raad volgens de Grondwet weliswaar geen hoofd van de politie was maar wel van de gemeente, had hij om die reden recht op inlichtingen en verantwoording.9 Dat de raad geen mogelijkheid had de burgemeester een sanctie op te leggen in de vorm van een ontslag, legde ook geen gewicht in de schaal. Volgens de minister beschikte de raad namelijk over andere mogelijkheden om duidelijk te maken dat hij zich niet kon verenigen met het beleid van de burgemeester.10