Einde inhoudsopgave
De civielrechtelijke inbedding van het besluitenaansprakelijkheidsrecht (O&R nr. 128) 2021/3.4.1
3.4.1 Meerdere noodzakelijke voorwaarden
mr. P.A. Fruytier, datum 01-06-2021
- Datum
01-06-2021
- Auteur
mr. P.A. Fruytier
- JCDI
JCDI:ADS284615:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Overheid en privaatrecht
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Kantonrechter Groningen 18 februari 1882, W. 4805 (Elzer/mr. P.l.d.G.). Zie over deze uitspraak ook Van der Kooij 2019, nr. 45.
HR 7 april 1932, ECLI:NL:HR:1932:148, NJ 1932, p. 1529, m.nt. E.M. Meijers. Zie hierover ook Van Schellen 1972, p. 216 en Witjens 2011, p. 20.
CRvB 28 augustus 2001, ECLI:NL:CRVB:2001:AD4521, JB 2001/259, m.nt. G.E. van Maanen (X/LISV). Zie ook CRvB 7 april 1999, ECLI:NL:CRVB:1999:AA3661, JB 1999/124, m.nt. J.M. Smits (LISV/A). Overigens zwenkt de CRvB in het vervolg van de eerstgenoemde uitspraak nog uit naar een overweging die weer meer op toepassing van art. 6:98 BW duidt. Hij overweegt dat het feit dat de werkgever zich heeft laten leiden door het besluit van de GMD voor de CRvB onvoldoende grond om de gevolgen van dat besluit van de werkgever toe te rekenen aan het besluit van de GMD. Daarbij acht de CRvB van doorslaggevende betekenis dat het vernietigde besluit naar zijn aard en strekking slechts ziet op aanspraak op uitkeringen krachtens de AAW en de WAO. Ik bespreek deze uitspraak daarom in hoofdstuk 8 ook in de context van art. 6:98 en art. 6:163 BW.
Zie hierover bijv. Asser/Sieburgh 6-II 2017 nr. 51.
De Hoge Raad vereist ook in het kader van art. 6:101 BW overigens dat – voor zover het partijdebat daartoe aanleiding geeft – nagegaan wordt welke voorwaarden noodzakelijk zijn geweest voor het intreden van de schade. Indien zo’n voorwaarde aan de gelaedeerde kan worden toegerekend, komt een deel van de schade binnen de normatieve grenzen van art. 6:101 BW voor diens rekening: HR 7 januari 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1225, NJ 1994/320 (Waterschap De Vechtlanden/Otter). Ook daarin ziet men terug dat de Hoge Raad alle voorwaarden binnen de csqn-toets van gelijk gewicht acht. Vervolgens moet de rechter nog wel (ook) onderling normatief gewicht toekennen aan de verschillende voorwaarden bij de toepassing van art. 6:98 BW en 6:101 BW.
HR 24 december 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA4004, NJ 2000/351, m.nt. C.J.H. Brunner (Van Nugteren/Meskes).
73. Als de schade door een samenstel van voorwaarden is veroorzaakt, is het soms verleidelijk om in het kader van de csqn-toets alvast een bepaalde voorwaarde als belangrijkere oorzaak aan te wijzen dan een ander. Men zegt dan dat de schade niet door het onrechtmatig gedrag is veroorzaakt, maar met name door een andere oorzaak. Deze methode werd in de 19e en vroege 20e eeuw nog weleens gehanteerd om aansprakelijkheid af te wijzen.
Een aspirant-koper vraagt de veilingnotaris of er op een ter veiling te koop aangeboden schip beslagen rusten. Dat is volgens de notaris niet het geval. De aspirant-koper koopt het schip naar aanleiding van die mededeling. Vervolgens blijken er op het schip wel beslagen te rusten. Het schip is daardoor veel minder waard. De aspirant-koper spreekt daarop de notaris aan. Volgens hem is het verkeerde advies de oorzaak van zijn schade. De rechter wijst de vordering af: de schade is veroorzaakt door de koop van het schip.1
Een boer koopt een koe. Hij ontdekt in de loop van de tijd dat het dier aan TBC lijdt. Dat is hem door de verkoper niet verteld. Hij laat de koe vervolgens – ik neem aan ter voorkoming van besmetting van de rest van zijn veestapel – slachten. Hij spreekt de verkoper aan voor zijn schade als gevolg van het verlies van de koe. De Hoge Raad oordeelt dat de verkoper niet aansprakelijk is, omdat de schade niet het gevolg is van het nalaten van de verkoper, maar van het slachten van het dier.2
Ook in de 21e eeuw lijkt deze causaliteitsbenadering nog weleens voor te komen:
Een werknemer wordt door het toenmalige GMD (voorloper van het LISV en het huidige UWV) arbeidsongeschikt verklaard. Hij ontvangt op grond daarvan een WAO (de huidige WIA)-uitkering. Zijn werkgever betaalt als gevolg van diens arbeidsongeschiktheidsverklaring zijn loon niet door. De werknemer bestrijdt die arbeidsongeschiktheidsverklaring met succes bij de bestuursrechter. Vervolgens spreekt hij het LISV, als opvolger van de GMD, aan tot betaling van het verschil tussen het de uitkeringsbedrag en het misgelopen loon. De CRvB oordeelt dat het causaal verband tussen het onjuiste besluit en de schade ontbreekt, omdat in een geval als dit de gevorderde vermogensschade vooral voortvloeit uit de omstandigheid dat de werkgever niet het – volledige – loon heeft doorbetaald.3
74. In deze drie casus zien de rechters eraan voorbij dat ter vaststelling van de causaliteit geen soortelijk gewicht kan worden toegekend aan verschillende omstandigheden die ieder voor zich nodig zijn geweest, voorwaarden waren, voor het intreden van het gevolg. In de bovenstaande gevallen waren de mededeling van de notaris, het zwijgen van de boer en het besluit van GMD voor het intreden van het gevolg net zo belangrijk als de koop van het schip, de slacht van het dier en de loonstaking door de werkgever.
75. De huidige in de logica verankerde csqn-toets brengt met zich dat niet – onder voorbijgaan van andere voorwaarden voor het intreden van de schade – één voorwaarde als oorzaak mag worden aangewezen of aan één noodzakelijke voorwaarde bij de csqn-toets meer gewicht mag worden toegekend dan aan een andere noodzakelijke voorwaarde.4 Zij zijn allemaal gelijkelijk noodzakelijk voor het intreden van de schade.5
76. De gedachte van gelijkwaardigheid van voorwaarden heeft ook haar uitwerking op gevallen waarin sprake is van meerdere gelijktijdig werkende noodzakelijke voorwaarden waarvoor ieder voor zich verschillende personen aansprakelijk zijn. Ieder van hen is dan hoofdelijk aansprakelijk voor het geheel.6