Einde inhoudsopgave
Onmiddellijke voorzieningen en hun externe werking (IVOR nr. 118) 2020/7.1
7.1 Inleiding
mr. A.C. Faber, datum 16-03-2020
- Datum
16-03-2020
- Auteur
mr. A.C. Faber
- JCDI
JCDI:ADS196994:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Dit is het derde scenario. In dit hoofdstuk is het uitgangspunt dat het derde scenario vigeert. Daar is reden voor. In de twee voorgaande hoofdstukken zijn geen aanwijzingen naar voren gekomen dat het eerste of het twee scenario geldend recht zouden zijn. Zie nr. 9 voor de drie scenario’s.
Inzicht in die invloed kan de Ondernemingskamer behulpzaam zijn bij het kiezen van de meest doeltreffende voorziening (nr. 8).
In dit onderzoek staan de afdwingbare verbintenissen in het middelpunt (7.2).
Dat laatste op een enkele opmerking na, bijv. in nr. 216 en in 7.5.
De onmiddellijke voorzieningen die worden onderzocht, belemmeren immers de rechtspersoon in het nakomen van een verbintenis.
Zie nt. 36 bij 1.1 voor het gebruik van de aanduiding ‘gewone burgerlijke rechter’.
[212] Dit onderzoek gaat over onmiddellijke voorzieningen die conflicteren met contractuele verplichtingen van de rechtspersoon. De samenloop van zo’n verplichting en de voorziening kan nadelige consequenties voor de rechtspersoon hebben en de effectiviteit van de voorziening verminderen.1 Die invloed van de contractuele verplichtingen op de uitwerking van onmiddellijke voorzieningen is mede afhankelijk van de wederpartij van de rechtspersoon.2 Wat is zijn rechtspositie en hoe kan hij die laten gelden (onderzoeksvragen a. en b.). Daarover gaat dit hoofdstuk. Ook komt aan de orde, welke invloed de rechtspersoon heeft op de (uitoefening van de) rechten door zijn wederpartij. En er is aandacht voor zijn mogelijkheden om – in het licht van de rechten van de wederpartij – te voorkomen dat een voorziening hem belet zijn verplichting na te komen.
In het debat over onmiddellijke voorzieningen die de rechtspersoon een verbod oplegden om aan een contractuele verplichting te voldoen, overheerste de gedachte dat zo’n verplichting zou kunnen oplossen in (een verplichting tot) schadevergoeding. Die veronderstelling is onder omstandigheden niet onjuist. Naar Nederlands recht is zij echter onvolledig. Als een onmiddellijke voorziening een contractuele verplichting van de rechtspersoon doorkruist, zijn er ook andere gevolgen mogelijk.
[213] Een contractuele verplichting van de rechtspersoon vloeit voort uit een externe rechtsverhouding van de rechtspersoon. Naar Nederlands recht zijn die verplichtingen verbintenissen.3 De invloed van voorzieningen op verbintenissen van andere partijen wordt niet besproken, net zomin als de invloed op de positie van de rechtspersoon van schuldeiser.4 Bij de verbintenissen die de aandacht hebben, neemt de rechtspersoon de positie van schuldenaar in en is zijn wederpartij de schuldeiser.5 In 7.3 wordt de volgorde toegelicht waarin de rechten en bevoegdheden van de schuldeiser en de schuldenaar worden besproken.
[214] De gewone burgerlijke rechter is bevoegd kennis te nemen van geschillen over contractuele verplichtingen van de rechtspersoon.6 In hoofdstuk 6 is de verhouding tussen deze rechter en de enquêterechter onderzocht. Die verhouding en de toetsingskaders van beide rechters zijn van belang voor de te bespreken acties van de wederpartij van de rechtspersoon. Naar Nederlands recht is nakomen hoofdregel en de vordering tot nakoming zal in beginsel dan ook worden toegewezen. Er zijn uitzonderingen mogelijk. Er wordt nagegaan of de bevoegde rechter in zijn armslag wordt beperkt door uitzonderingen of bijzonderheden die uit het enquêterecht voortvloeien.