Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/7.4.3.2.1.3
7.4.3.2.1.3 Ontbinding nog niet lopende huurovereenkomst
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291490:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HR 26 augustus 1998, nr. 33.690, BNB 1999/194, m.nt. Simons.
HvJ EG 18 juli 2007, zaak C-277/05, V-N 2007/34.25 (Société thermale d’Eugénie-les-bains). Zie hierover nader: M.D.J. van der Wulp, ‘Niet-benutte vliegtickets: geen gebruik, wel verbruik’, NTFR-B 2016/2, p. 13. De situatie in het Société thermale d’Eugénie-les-bains-arrest verschilt mijns inziens dan ook met de situaties in HvJ EU 22 november 2018, zaak C-295/17, V-N 2019/2.11 (MEO), HvJ EU 3 juli 2019, zaak C-242/18, V-N 2019/35.17 (UniCredit Leasing) en HvJ EU 11 juni 2020, zaak C-43/19, BNB 2020/119, m.nt. Merkx (Vodafone Portugal) waarin sprake was van een overeengekomen (schade)vergoeding bij voortijdige beëindiging van het contract (vgl. Merkx, punt 5 van haar noot bij HvJ EU 11 juni 2020, zaak C-43/19, BNB 2020/119).
Ook Simons meent dat een analogie met deze zaak niet gemaakt kan worden, omdat de verhuur nog niet is ingegaan (Simons, noot bij HR 26 augustus 1998, nr. 33.690, BNB 1999/194).
In gelijke zin: Simons, noot bij HR 26 augustus 1998, nr. 33.690, BNB 1999/194. Zijn kwalificatie als ‘onbelastbare schadeloosstelling’ acht ik echter onzuiver, aangezien alleen een prestatie die ten grondslag ligt aan de schadeloosstelling (en derhalve nimmer de schadeloosstelling zelf) belastbaar kan zijn.
De Hoge Raad heeft het Lubbock Fine-arrest (zie paragraaf 7.4.3.2.1.2) van overeenkomstige toepassing geacht in de situatie waarin de beoogde huurder aan de beoogde verhuurder een vergoeding betaalde voor de ontbinding van een verhuurovereenkomst vóór de aanvang van de daadwerkelijke verhuur van de bedrijfsruimte.1 Naar mijn mening ten onrechte. Uit het Société thermale d’Eugénie-les-bains-arrest van het Hof van Justitie volgt naar mijn mening dat bij de ontbinding van een verhuurovereenkomst vóórdat de verhuur daadwerkelijk is aangevangen tegen betaling van een schadeloosstelling, omdat één van de partijen de overeengekomen verplichting niet (meer) wenst na te komen, geen sprake is (en vanwege het ontbreken van een dienst onder bezwarende titel ook niet kan zijn) van verhuur.2 Bovendien kan evenmin gezegd worden dat, zoals in de zaak Lubbock Fine het geval was, de verhuurder een vergoeding betaalt voor het terugkrijgen van het exclusieve gebruiksrecht op het betreffende (gedeelte van het) onroerend goed.3 De wanpresterende beoogde huurder is immers degene die aan de beoogde verhuurder een vergoeding betaalt om van de overeengekomen huurverplichtingen af te komen. Deze (ontbindings)vergoeding is derhalve geen vergoeding voor het (weer) verkrijgen van een exclusief gebruiksrecht op een (gedeelte) van een onroerend goed, hetgeen voor het aanmerken als een verhuurdienst wel is vereist. Gelet hierop had de Hoge Raad naar mijn mening moeten oordelen dat bij een dergelijke ontbinding van de huurovereenkomst geen sprake is van een dienst onder bezwarende titel (en derhalve evenmin van de verhuur van onroerend goed).4