Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/13.3.5.1.1
13.3.5.1.1 Alle bestanddelen doen blijken
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940480:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
In HR 3 februari 2023, V-N 2023/8.13, BNB 2023/48, r.o. 4.3.2 heeft de Hoge Raad het Hof (ook) op dit punt de helpende hand toegestoken. Het Hof had geoordeeld dat het begaan van het kale beboetbare feit ‘aannemelijk’ was geworden. De Hoge Raad overwoog dat, hoewel het gebruik van het woord ‘aannemelijk’ niet past bij de zware gradatie, ‘het ervoor [moet] worden gehouden dat het Hof heeft bedoeld dat buiten redelijke twijfel vaststaat dat de aanslag op een te laag bedrag is vastgesteld.’.
Uit hetgeen in paragraaf 13.3.4 is opgemerkt, volgt immers dat de betekenis gelijk is aan ‘doen blijken’.
Op zichzelf is het denkbaar dat een reeks van feiten die ieder voor zich ‘slechts’ aannemelijk gemaakt zijn, bij elkaar genomen zó overtuigend zijn dat daarmee het begaan van het beboetbare feit ‘beyond reasonable doubt’ kan worden bewezen.
Wel is het mogelijk dat het bewijs reeds in de sfeer van de heffing ‘beyond reasonable doubt’ is geleverd; doorwerking naar de sfeer van de boete is dan geen probleem.
In dezelfde zin: Feteris 2002, p. 379.
Zie daarover nader paragraaf 9.3.3.3.2.
Zie voor een voorbeeld Hof Amsterdam 14 juni 2022, V-N 2022/41.5, r.o. 5.12. In de sfeer van de sociale zekerheid werd dit verschil in bewijsgradatie al steeds nadrukkelijk aangebracht, zie bijvoorbeeld CRvB 14 maart 2017, AB 2018/155, r.o. 5.9 en 5.13, CRvB 29 november 2016, NJB 2017/32, r.o. 4.9 en CRvB 18 november 2016, JB 2017/31, r.o. 4.8.1-4.8.2, CRvB 28 juni 2016, RSV 2016/156, r.o. 4.10. Zie ook paragraaf 13.3.3.2.
In deze zin ook: A-G Niessen in zijn Conclusie van 31 augustus 2022, V-N 2022/42.22. Zulks nog afgezien van de omstandigheid dat het bewijsobject (ook temporeel) anders is: de kwade trouw moet zijn gericht op het feit dat de aanleiding vormt voor de navordering (zie HR 9 juni 2023, V-N 2023/28.18, r.o. 3.3.3-3.3.4), de (voorwaardelijke) opzet moet zijn gericht op het (begaan van het) beboetbare feit (zie daarover ook paragraaf 6.4.3.1). Zie voor een (ander) voorbeeld waarin dit onderscheid tussen de sfeer van de heffing en de sfeer van de boete naar voren komt Rb Zeeland-West-Brabant 5 december 2018, V-N 2019/32.22, r.o. 2.31-2.32.
Zie daarover nader paragraaf 16.5.3.3.
Zie bijvoorbeeld Hof Amsterdam 14 juni 2022, V-N 2022/42.21, r.o. 15. Zie ook paragraaf 9.3.4.
HR 10 februari 2023, V-N 2023/9.22, r.o. 4.6.2. Zie daarover nader paragraaf 9.3.4.5.
Het oordeel van Hof Arnhem-Leeuwarden 12 juli 2022, V-N 2022/56.24, r.o. 4.19-4.20 (dat het ‘aannemelijk’ is dat de verzuimboete aan de aansprakelijkgestelde is te wijten) acht ik dan ook onjuist.
Nu de centrale stellingen in de boetesfeer ‘beyond reasonable doubt’ moeten worden bewezen, heeft dat tot gevolg dat niet de gradatie ‘aannemelijk maken’,1 maar de gradatie ‘doen blijken’ geldt.2 Voor de beboeting is het dan dus niet voldoende dat de reële mogelijkheid bestaat dat het beboetbare feit zich heeft voorgedaan. Het is andersom: de mogelijkheid dat de boeteling het beboetbare feit niet heeft begaan, moet in redelijkheid dan niet meer bestaan.
Verreweg de meeste feiten kunnen in de sfeer van de heffing worden bewezen als zij aannemelijk worden gemaakt. De inspecteur kan dus (in beginsel3) niet met louter diezelfde feiten het begaan van het beboetbare feit bewijzen.4 De centrale stellingen kunnen immers alleen bewezen worden, wanneer zij ‘beyond reasonable doubt’ zijn.5 De inspecteur zal dus meer of ander bewijs moeten verzamelen dat wél aan de zware gradatie voldoet.6 Hij zal ten minste moeten ‘doen blijken’ dát te weinig is geheven of betaald en (bij vergrijpboetes) dat zulks met opzet of grove schuld is gebeurd.7 Dat betekent ook dat bewijs dat in de sfeer van de heffing voldoende was om kwade trouw in de zin van art. 16 AWR aannemelijk te maken, van onvoldoende gewicht kan zijn om in de sfeer van de boete (voorwaardelijk) opzet te bewijzen.8 Iets dergelijks geldt ook voor het bewijs van de geobjectiveerde bewustheid in het kader van het niet doen van de vereiste aangifte.9 Verder kan in voorkomende gevallen ook de vereiste kwaliteit van de boeteling in geschil zijn. In dergelijke gevallen moet de inspecteur ook de hoedanigheid van de boeteling ‘beyond reasonable doubt’ bewijzen.10
In het verlengde daarvan zal de ontvanger die iemand aansprakelijk stelt voor een boete die is opgelegd aan de belastingschuldige, (ook) overtuigend moeten aantonen dat het belopen van die boete aan de aansprakelijkgestelde is te wijten. Dat betekent bijvoorbeeld dat de ontvanger bij vergrijpboetes ‘beyond reasonable doubt’ moet bewijzen dat het aan opzet of grove schuld van de aansprakelijkgestelde is te wijten dat te weinig belasting is geheven.11 Naar mijn mening geldt voor verzuimboetes hetzelfde, maar dan (uiteraard) alleen ten aanzien van het begaan van het kale beboetbare feit (en in voorkomende gevallen de kwaliteit).12