Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken
Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/7.3.9.3.3:7.3.9.3.3 (In)direct bewijs en vrije waardering
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/7.3.9.3.3
7.3.9.3.3 (In)direct bewijs en vrije waardering
Documentgegevens:
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940328:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 7.3.5.4.
Zie bijvoorbeeld Hof ’s-Gravenhage 6 augustus 2013, V-N 2013/55.9.
Zie paragraaf 7.3.8.3.
Vgl. in dit verband voorts HR 11 april 2014, V-N 2014/19.6, BNB 2014/167, waarin de Hoge Raad het Hofoordeel onvoldoende gemotiveerd en onbegrijpelijk achtte.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het onderscheid tussen direct bewijs en indirect bewijs heeft naar mijn mening betekenis voor de bewijswaardering.1 Het belang van dat onderscheid is namelijk gelegen in de vraag welk gewicht aan het bewijs toekomt. Direct bewijs is per definitie sterker dan indirect bewijs. De rechter zal zich, de vrijheid die hij bij de waardering heeft ten spijt, daar rekenschap van moeten geven.
Ik acht het onderscheid vooral van belang voor het antwoord op de vraag of de vereiste bewijsgradatie is behaald. Bij indirect bewijs is er een tussenstap noodzakelijk, die inhoudt dat uit de (gezamenlijke) indirecte bewijsmiddelen een bepaalde gevolgtrekking wordt gemaakt. Die gevolgtrekking staat vervolgens in een rechtstreeks verband met de te bewijzen feiten. Enige onzekerheid is inherent aan de benodigde tussenstap: de gemaakte gevolgtrekking zal dikwijls voor discussie vatbaar zijn, bijvoorbeeld omdat op basis van hetzelfde indirecte bewijsmateriaal ook andere gevolgtrekkingen mogelijk zijn. Met andere woorden: de kans is groot dat de indirecte bewijsmiddelen kunnen passen bij meerdere denkbare scenario’s. Als richtlijn kan naar mijn mening daarom worden genomen dat indirect bewijs vooral geschikt is om de gradatie aannemelijk maken te halen:2 die gradatie sluit een alternatieve gang van zaken immers niet uit.3 Voor doen blijken zal doorgaans (ook) direct bewijs benodigd zijn: een alternatieve gang van zaken moet dan (uiterst) onwaarschijnlijk zijn.
De uiteindelijke weging is echter, ook bij indirecte bewijsmiddelen, voorbehouden aan de rechter. Naar mijn mening zal de rechter wel wat uitgebreider moeten motiveren als hij afwijkt van de hiervoor geformuleerde richtlijn. Als hij bijvoorbeeld op grond van louter indirect bewijs van mening is dat (toch) de zware gradatie doen blijken is behaald, loopt hij het risico dat de uitspraak zonder nadere motivering als onbegrijpelijk wordt vernietigd.4