Einde inhoudsopgave
Stille getuigen 2015/2.9
2.9 De verhouding tussen artikel 342 lid 2 Sv en het ondervragingsrecht
Mr. B. de Wilde, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. B. de Wilde
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
HR 30 juni 2009, NJ 2009, 495 en 496.
Borgers 2012, p. 878-881. Deze opdracht brengt overigens niet mee dat de rechter ook altijd uitdrukkelijk zal moeten motiveren waarom hij meent dat de getuigenverklaring voldoende wordt ondersteund door ander bewijsmateriaal. In veel gevallen zal uit het overzicht van gebezigde bewijsmiddelen al voldoende blijken dat er voldoende steunbewijs is.
Zie daarover uitgebreider Borgers 2012. Zie ook onderdeel 3 van de noot van Borgers onder HR 13 juli 2010, NJ 2010, 515, onderdeel 11 van de conclusie van AG Vellinga bij HR 13 juli 2010, NJ 2010, 515 en De Wilde 2008.
HR 26 januari 2010, NJ 2010, 512, r.o. 3.3.
Het voorbeeld is ontleend aan HR 6 maart 2012, NJ 2012, 252.
HR 12 oktober 1999, NJ 1999, 827
Dit geval deed zich voor in EHRM 10 juli 2012, appl.no. 29353/06 (Vidgen/Nederland). Een Nederlandse uitspraak waarin de Hoge Raad op deze grond aannam dat onvoldoende steunbewijs beschikbaar was, is mij niet bekend.
Een voorbeeld hiervan is HR 11 juni 2002, NJ 2002, 459, waarin de verdachte van verkrachtingen niet het seksuele contact ontkende, maar wel de dwang. Overigens noemde de Hoge Raad juist in dit arrest niet als voorwaarde dat het steunbewijs betrekking moet hebben op de door de verdachte betwiste onderdelen van de getuigenverklaring. Zie uitvoeriger over steunbewijs § 3.3.2 van hoofdstuk 6.
In beginsel, omdat de Hoge Raad geen genoegen zal nemen met steunbewijs voor weinig bijzondere details van de getuigenverklaring, zoals het gegeven dat de verdachte bij het slachtoffer in huis woonde ten tijde van het ten laste gelegde seksuele misbruik. Zie bijvoorbeeld HR 13 juli 2010, NJ 2010, 515.
Zie ook onderdelen 11 en 12 van de conclusie van AG Vellinga bij HR 15 juni 2010, NJ 2010, 513.
Onderdeel 9 van de conclusie van AG Knigge bij HR 7 september 2010, ECLI:NL:HR:2010: BM9859.
Zie bijvoorbeeld HR 25 januari 2011, NJ 2011, 64 en HR 29 maart 2011, NJ 2011, 170.
Van Lent 2012, p. 244-245 lijkt de uiteenlopende eisen aan het steunbewijs te miskennen als zij over het arrest Al-Khawaja & Tahery schrijft: ‘Onze unus-testis regel voorkomt – omredenen van betrouwbaarheid – een veroordeling op basis van een getuigenverklaring die inhoudelijk onvoldoende wordt ondersteund door het overige bewijs (zie bijvoorbeeld HR 26 januari 2010, NJ 2010, 512 m.nt. Borgers). Hoewel het arrest ongetwijfeld in de annalen zal worden bijgeschreven, is de praktische betekenis voor ons in zoverre dus betrekkelijk gering.’
Dat is overigens opmerkelijk. Het verbaast mij soms dat een advocaat in cassatie wél heeft geklaagd over schending van het ondervragingsrecht, maar niet over de onjuiste toepassing van artikel 342 lid 2 Sv en vice versa. In HR 17 november 2009, NJ 2010, 191 was het – zeker gezien de stand van de jurisprudentie op het moment waarop de cassatieschriftuur werd opgesteld – niet overduidelijk dat aan de bewijsminimumregel van artikel 342 lid 2 Sv was voldaan. Op dat punt was echter geen cassatiemiddel voorgesteld.
HR 17 november 2009, NJ 2010, 191.
HR 28 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ4715.
In onderdeel 7.6 van zijn conclusie bij HR 30 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7813 meende AG Machielse dat de Hoge Raad in NJ 2010, 191 van oordeel was dat aan artikel 342 lid 2 Sv was voldaan. Mijns inziens is dat een te ver gaande gevolgtrekking. De Hoge Raad heeft zich hierover niet uitgesproken.
Het komt mij voor dat de gedragingen van de verdachte in NJ 2010, 191 – slapen in hetzelfde bed als zijn dochter – neutraler van aard waren dan die in de Eindhovense zedenzaak, waarin het slachtoffer geen familie was en het seksuele misbruik vanwege het in bad gaan en vrijwel ontkleed naast elkaar zitten aannemelijker is.
Het is denkbaar dat de verdachte een ondergeschikt onderdeel van een getuigenverklaring heeft betwist. Voor de toepassing van de bewijsminimumregel zou het steunbewijs niet voldoende kunnen zijn, omdat een te ver verwijderd verband zou kunnen bestaan tussen de getuigenverklaring en het steunbewijs. In het kader van het ondervragingsrecht zal het steunbewijs op het betwiste onderdeel betrekking moeten hebben. In dat geval is echter moeilijk denkbaar dat de getuigenverklaring voor het ondervragingsrecht van beslissende betekenis is, omdat dat onderdeel de kwalificatie en straftoemeting vermoedelijk niet zou beïnvloeden en wellicht zelfs misbaar is voor de onderbouwing van de bewezenverklaring. Zie daarover § 2.3 van hoofdstuk 6.
Dat het een heterdaad-proces-verbaal moet betreffen blijkt niet expliciet uit het artikel of de daarop gebaseerde de jurisprudentie. Het is wel een algemeen gedeelde opvatting over de betekenis ervan. Een indicatie van de juistheid ervan is dat Hoge Raad het enkele proces-verbaal waarin een getuigenverklaring van een ander dan de opsporingsambtenaar is opgenomen, niet accepteert als voldoende bewijs. Zie bijvoorbeeld HR26 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK5597.
In HR 10 februari 2004, NJ 2004, 452 meende de Hoge Raad dat de wetgever deze regel heeft ingevoerd vanwege het grote vertrouwen dat in processen-verbaal van opsporingsambtenaren wordt gesteld. Zie daarover ook § 3.3.1.3 van hoofdstuk 3. In De Wilde 2008 heb ik betoogd dat het betrouwbaarheidsargument niet steekhoudend is en heb ik gepleit voor afschaffing van artikel 344 lid 2 Sv.
Algemeen
Artikel 342 lid 2 Sv bepaalt: ‘Het bewijs dat de verdachte het telastegelegde feit heeft begaan, kan door den rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige.’ Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad sinds 30 juni 2009 blijkt dat de getuigenverklaring voldoende steun moet vinden in het overige bewijsmateriaal.1 Ten aanzien van het ondervragingsrecht is de vraag relevant of de verklaring van de niet door de verdediging ondervraagde getuige in voldoende mate wordt ondersteund door ander bewijsmateriaal. De vraag is hoe deze beide aspecten zich tot elkaar verhouden en in het bijzonder of de verlangde kwaliteit van het steunbewijs gelijk is.
Het object van het steunbewijs
Beide regels komen voort uit de wetenschap dat getuigenverklaringen niet altijd overeenstemmen met de waarheid. Ten aanzien van beide regels is het gewicht van de getuigenverklaring ook een belangrijk aspect, zij het dat het ondervragingsrecht ook – wegens het ontbreken van een goede reden – kan zijn aangetast wanneer minder belangrijke getuigen niet konden worden ondervraagd. Er zijn echter ook duidelijke verschillen vast te stellen tussen de beide regels.
Aangezien waarheidsvinding een belangrijk doel van het strafproces is, is het van groot belang om de betrouwbaarheid van de getuigenverklaring te kunnen onderzoeken. Wanneer in ruimemate bewijsmateriaal beschikbaar is waaruit de ten laste gelegde gedraging blijkt, wordt het in beginsel aan de rechter overgelaten om de betrouwbaarheid van de getuigenverklaring al dan niet te onderzoeken. Alleen in bepaalde bijzondere gevallen is de rechter gehouden om zich in zijn vonnis of arrest uit te laten over de betrouwbaarheid. Zo’n geval doet zich bijvoorbeeld voor wanneer de verdediging de betrouwbaarheid gemotiveerd heeft betwist (art. 359 lid 2 Sv) en wanneer hij gebruik maakt van een anonieme getuigenverklaring (art. 360 Sv). Wanneer de ten laste gelegde gedraging voornamelijk blijkt uit één getuigenverklaring, wordt de vrijheid van de rechter om deze verklaring voor het bewijs te gebruiken beperkt. De bewijsminimumregel van artikel 342 lid 2 Sv geeft de opdracht aan de rechter om, uit eigen beweging, de betrouwbaarheid van de getuigenverklaring te onderzoeken, door vast te stellen of de inhoud van de verklaring geheel of gedeeltelijk wordt ondersteund door ander bewijsmateriaal.2 Hoe meer steunbewijs kan worden gevonden, hoe groter de kans is dat de getuigenverklaring betrouwbaar is. De verplichting van de rechter is een ambtshalve verplichting: ook zonder dat de verdediging of officier van justitie aanleiding heeft gegeven om in twijfel te trekken dat er voldoende steunbewijs is, moet de rechter het steunbewijs beoordelen. De waarheidsvinding mag niet afhankelijk worden gesteld van het al dan niet participeren van de verdachte in het strafproces. Ook wanneer een verdachte bij verstek wordt veroordeeld, zal buiten redelijke twijfel moeten worden vastgesteld dat hij het ten laste gelegde feit heeft begaan. De bewijsminimumregel van artikel 342 lid 2 Sv vormt daarvoor een waarborg.3 Het steunbewijs moet worden gevonden voor onderdelen van de getuigenverklaring, maar niet voor specifieke onderdelen daarvan.4 Wanneer bijvoorbeeld bij een diefstal in vereniging het daderschap van de verdachte uitsluitend blijkt uit de verklaring van een medeverdachte, dan kan deze verklaring samen met de aangifte van de diefstal waaruit de betrokkenheid van de verdachte niet blijkt, voldoende zijn om aan de regel van artikel 342 lid 2 Sv te voldoen.5
Het ondervragingsrecht is een verdedigingsrecht. Het geeft de verdediging het recht om de betrouwbaarheid van de getuigenverklaring te onderzoeken door de getuige vragen te stellen. Op deze manier kan de verdediging proberen de rechter ervan te overtuigen de getuigenverklaring niet als waar aan te nemen en zo een gunstiger beslissing uit te lokken. De uitoefening van het ondervragingsrecht is sterk afhankelijk van de activiteit van de verdediging. Heeft de verdediging geen getuigenverzoek gedaan, dan zal de rechter niet uit zichzelf hoeven te onderzoeken of voldoende steun voor de getuigenverklaring bestaat. Heeft de verdediging haar ondervragingswens voldoende uitdrukkelijk en gemotiveerd naar voren gebracht, maar is een ondervragingsgelegenheid desondanks uitgebleven, dan zal de rechter wel op zoek moeten gaan naar steunbewijs. Of de rechter in het kader van het ondervragingsrecht moet beoordelen of de getuigenverklaring voldoende wordt ondersteund in ander bewijsmateriaal, is dus afhankelijk van de opstelling van de verdediging. Dit komt tot uitdrukking in het object van het steunbewijs: er moet steun worden gevonden voor de door de verdachte betwiste onderdelen van de getuigenverklaring.6 Voor het hiervoor genoemde voorbeeld, waarin het daderschap van de verdachte uitsluitend bleek uit de verklaring van de medeverdachte, betekent dit dat bij betwisting van het daderschap steunbewijs voor het daderschap beschikbaar zal moeten zijn.7 Wordt echter een ander onderdeel van de getuigenverklaring betwist, dan zal het steunbewijs daarop betrekking moeten hebben.8 Hier kan een belangrijk verschil worden vastgesteld met het steunbewijs in het kader van artikel 342 lid 2 Sv: dat mag in beginsel9 op ieder onderdeel van de getuigenverklaring betrekking hebben.10
Een lagere standaard voor steunbewijs in het kader van artikel 342 lid 2 Sv dan in het kader van het ondervragingsrecht
In het algemeen zal meer steunbewijs vereist zijn in het kader van het ondervragingsrecht dan in het kader van artikel 342 lid 2 Sv.11 De formulering van de regels maakt dit al duidelijk. Het ondervragingsrecht brengt met zich dat een bewezenverklaring in beginsel niet uitsluitend of in beslissende mate mag worden gebaseerd op de betwiste getuigenverklaring. Artikel 342 lid 2 Sv bepaalt dat de bewezenverklaring niet uitsluitend op een getuigenverklaring mag worden gebaseerd. De bewezenverklaring mag er dus wel in beslissende mate op worden gebaseerd en dat is ook herhaaldelijk voorgekomen in zaken waarin de Hoge Raad het oordeel van een gerechtshof in stand liet.12 Daarnaast bepaalt bij het ondervragingsrecht de proceshouding van de verdachte op welke aspecten van de getuigenverklaring het steunbewijs betrekking moet hebben, terwijl voor de toepassing van artikel 342 lid 2 Sv het steunbewijs betrekking mag hebben op ieder enigszins relevant onderdeel van de getuigenverklaring.13
Het is denkbaar dat een verdachte een bepaald aspect van een getuigenverklaring heeft betwist en daarvoor steunbewijs beschikbaar is, terwijl hetzelfde steunbewijs ook wordt gebruikt in het kader van de toepassing van artikel 342 lid 2 Sv. Zou de Hoge Raad in dat geval genoegen nemen metminder steunbewijs in het kader van de bewijsminimumregel, waardoor hetzelfde steunbewijs mogelijk voldoende zou zijn voor de toepassing van artikel 342 lid 2 Sv, maar niet voor het ondervragingsrecht? Het antwoord op deze vraag blijkt niet uit de jurisprudentie van de Hoge Raad. Er zijn mij geen gevallen bekend van zaken waarin over de toepassing van beide aspecten was geklaagd.14 Een zaak waarin dat wel had kunnen worden gedaan is NJ 2010, 191. In deze zaak was ontucht door een vader met zijn dochter bewezen verklaard. Hetmeisje kon door de verdediging niet worden ondervraagd. Naast de verklaringen van het meisje, die ook bleken uit verklaringen van derden, was als enige steunbewijs de verklaring van de vader beschikbaar, waaruit bleek dat het meisje in het desbetreffende weekend bij haar vader had gelogeerd en dat hij naast haar in hetzelfde bed had geslapen. De vader ontkende zijn dochter te hebben misbruikt. De Hoge Raad vond dat deze verklaring niet voldoende steunbewijs opleverde in de context van het ondervragingsrecht. Omdat in cassatie alleen was geklaagd over schending van het ondervragingsrecht, kan niet met zekerheid worden gezegd of de Hoge Raad ook onvoldoende steunbewijs aanwezig zou hebben geacht wanneer over de toepassing van artikel 342 lid 2 Sv zou zijn geklaagd.15 Een zaak die enigszins vergelijkbaar is, is de zogenaamde Eindhovense zedenzaak. Hierin was, als steunbewijs voor de verklaring van het slachtoffer van seksueel misbruik, de verklaring van de verdachte gebruikt, waaruit bleek dat beiden na elkaar in bad waren geweest en daarna op een bank hadden gezeten, terwijl zij alleen badjassen aan hadden. In deze zaak was in cassatie niet over schending van het ondervragingsrecht geklaagd, maar wel over onjuiste toepassing van artikel 342 lid 2 Sv. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en zelfs zonder zijn oordeel te motiveren (art. 81 RO).16 Mag hieruit worden afgeleid dat de Hoge Raad in NJ 2010, 191 ook zou hebben geoordeeld dat voldoende steunbewijs bestond?17 Vermoedelijk is dat inderdaad het geval, al mogen de verschillen tussen de beide zaken niet worden veronachtzaamd.18 Toch mag alleen op grond daarvan niet worden geconcludeerd dat de Hoge Raad strengere eisen stelt aan het steunbewijs bij het ondervragingsrecht wanneer precies hetzelfde steunbewijs wordt gebruikt als bij de toepassing van de bewijsminimumregel. De verdachte in NJ 2010, 191 had het misbruik betwist. Uit het steunbewijs bleek het misbruik niet. Hooguit kan worden gezegd dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad om zijn dochter te misbruiken door naast haar in een bed te slapen. Dit kan verklaren waarom ten aanzien van het ondervragingsrecht onvoldoende steunbewijs bestond, maar ten aanzien van de bewijsminimumregel vermoedelijk voldoende.
Wanneer het ondervragingsrecht is gerespecteerd omdat voldoende steunbewijs beschikbaar is voor de betwiste getuigenverklaring, zal artikel 342 lid 2 Sv vermoedelijk ook vrijwel altijd zijn gerespecteerd. Er is dan immers voldoende steunbewijs beschikbaar voor een onderdeel van de getuigenverklaring.19 Andersom ligt het anders. Het is goed denkbaar dat in het kader van artikel 342 lid 2 Sv voldoende steunbewijs bestaat voor een onderdeel van de getuigenverklaring, terwijl de verdachte een ander onderdeel heeft betwist. Bekent bijvoorbeeld de verdachte van een verkrachting seks te hebben gehad met het slachtoffer, maar betwist hij dat hij het slachtoffer daartoe heeft gedwongen, dan levert zijn eigen verklaring voldoende steunbewijs op voor de toepassing van artikel 342 lid 2 Sv, maar geen steunbewijs in het kader van het ondervragingsrecht. Artikel 342 lid 2 Sv kent overigens een uitzondering: volgens artikel 344 lid 2 Sv mag het bewijs worden aangenomen op het enkele (heterdaad-)proces-verbaal van een opsporingsambtenaar.20 Het proces-verbaal bevat de getuigenverklaring van de opsporingsambtenaar. Op basis daarvan mag de verdachte worden veroordeeld, zonder dat ander bewijsmateriaal de betrouwbaarheid van het relaas van de opsporingsambtenaar aannemelijk maakt.21 Het moge duidelijk zijn dat in geval van onmogelijkheid de opsporingsambtenaar te ondervragen, op grond van het ondervragingsrecht wél steunbewijs is vereist.