Einde inhoudsopgave
Achtergestelde vorderingen (O&R nr. 114) 2019/6.5.4.4
6.5.4.4 Rangregeling
mr. drs. N.B. Pannevis, datum 01-04-2019
- Datum
01-04-2019
- Auteur
mr. drs. N.B. Pannevis
- JCDI
JCDI:ADS186721:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Algemeen
Vermogensrecht / Rechtsvorderingen
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Zie over dergelijke rangregelingen nader par. 5.5.4.5.
Art. 480 resp. 551a Rv.
Artt. 483b en 483c lid 1 Rv, eventueel jo. art. 552 lid 4 Rv. Zie voor het geval dat de schuldenaar in faillissement verkeert ook art. 132 lid 2 Fw, Kortmann & Faber 2001, p. 147 en impliciet in HR 16 oktober 2015, JOR 2016/20 (DLL/Van Logtestijn q.q.), r.o. 3.3.1.
Dat was de bedoeling van de wetgever. Zie MvT Inv., Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Wijziging Rv, Wet RO en Fw, p. 193 en 200.
Zie over deze problematiek tijdens faillissement par. 7.3.4.
Zie par. 6.5.4.3.
Zie par. 6.4.2.2.
Zie par. 7.3.4.2.
Zie par. 7.3.4.2.
Zie daarover par. 7.3.4.5.
347. Als verschillende partijen beslag hebben gelegd op een goed van de schuldenaar of daarop verschillende beperkte rechten rusten, het goed is geëxecuteerd en die partijen niet tot overeenstemming kunnen komen over de verdeling van de executie-opbrengst, dan wordt die opbrengst verdeeld in een rangregeling.1
Een oneigenlijke achterstelling belemmert de junior niet om op te komen in de rangregeling. Daarvoor is wel vereist dat hij tijdig beslag heeft gelegd.2
348. In het systeem van de wet kunnen vorderingen waaraan een opschortende tijdsbepaling of voorwaarde is verbonden in de rangregeling worden betrokken voor hun contante waarde op het moment van het opmaken van de staat van verdeling, of het moment van faillietverklaring als de rangregeling plaatsvindt terwijl de schuldenaar in faillissement verkeert.3 Vorderingen waaraan een opschortende voorwaarde is verbonden kunnen ook voorwaardelijk in de rangregeling worden begrepen voor het gehele bedrag.4 Deze bepalingen stemmen overeen met de bepalingen voor verificatie van vorderingen in een faillissement.5 Daarom treden bij het betrekken van oneigenlijk achtergestelde vorderingen in een rangregeling dezelfde problemen op als bij de verificatie van dergelijke vorderingen in faillissement.6
Net als in faillissement leidt rigide toepassing van de wettelijke bepalingen voor het betrekken van vorderingen onder opschortende voorwaarde of tijdsbepaling in een rangregeling tot uitkomsten die vermoedelijk niet overeenstemmen met de bedoeling van de partijen met de achterstelling. Als de wettelijke bepalingen strikt worden toegepast, dan wordt een vordering waaraan als achterstelling een tijdsbepaling of voorwaarde is verbonden in de rangregeling betrokken met dezelfde rang als de seniorvorderingen, maar voor een verlaagd bedrag. Daardoor concurreert de junior ondanks de achterstelling met de senior bij de verdeling van de executie-opbrengst. Bovendien ontvangt hij dan een deel van de executie-opbrengst terwijl de tijdsbepaling of voorwaarde verbonden aan zijn vordering nog niet is vervuld. De schuldenaar wordt daarmee gedwongen (ten dele) een vordering na te komen die hij nog niet na hoeft te komen en waarvan de nakoming misschien zelfs nooit verschuldigd zal zijn. Kortgezegd wordt de schuldenaar gedwongen tot een onverschuldigde betaling. Dat wringt. Door deelname aan de rangregeling lift een oneigenlijk achtergestelde schuldeiser mee op de executie van een andere schuldeiser, terwijl hij zelf geen executoriaal beslag kan leggen.7
Als een vordering onder opschortende tijdsbepaling of voorwaarde voor de contante waarde wordt opgenomen in de rangregeling, dan wordt die voorwaarde of tijdsbepaling ‘gebroken’. Het inherent onzekere element in een voorwaardelijke vordering wordt verwijderd. Die vordering wordt behandeld als een onvoorwaardelijke vordering tot betaling van de contante waarde.8 Een vordering onder tijdsbepaling wordt daardoor direct opeisbaar.
Het breken van opschortende voorwaarden tijdens faillissement wordt gelegitimeerd door de volledige afwikkeling van het vermogen van de schuldenaar die het faillissement doorgaans met zich brengt. Die afwikkeling kan niet worden uitgevoerd als de voorwaarde in stand wordt gelaten. Dat legitimeert ook het breken van een tijdsbepaling tijdens faillissement. Daarvoor bestaat bovendien een wettelijke grondslag, in de vorm van artikel 6:40 sub a BW.
Bij een rangregeling buiten faillissement bestaat er minder rechtvaardiging om tijdsbepalingen of opschortende voorwaarden te doorbreken. Het vermogen van de schuldenaar wordt immers niet volledig afgewikkeld. Er bestaat dan ook geen bepaling zoals artikel 6:40 sub a BW voor een rangregeling buiten faillissement. Bij gebreke daaraan kan de uitkering op de voorwaardelijke vordering of de vordering onder tijdsbepaling worden opgeschort totdat de voorwaarde of tijdsbepaling is vervuld.9 De schuldenaar is echter nauwelijks daarbij gebaat als hij tot die tijd niet over dat deel van de executie-opbrengst kan beschikken.
349. Het stemt vermoedelijk in veel gevallen beter met de bedoeling van partijen overeen om de achtergestelde vordering voor zijn volledige bedrag in de rangregeling te betrekken, maar met een verlaagde rang.10 Feitelijk wordt dan in de overeenkomsten van achterstelling naast een oneigenlijke ook een eigenlijke achterstelling gelezen.
Op die manier wordt de schuldenaar niet gedwongen een voorwaardelijke of niet-opeisbare vordering te voldoen. De vorderingen met een verlaagde rang komen dan bij verdeling van de executie-opbrengst pas aan bod als de senioren zijn voldaan en dus ook de voorwaarde of tijdsbepaling is vervuld. Daarmee wordt ook tijdens de rangregeling recht gedaan aan de achterstelling. Of daar ruimte voor is, dat is een kwestie van uitleg van de concrete rechtsverhouding.11
350. Onderlinge verbintenissen tussen de schuldeisers beïnvloeden de erkenning in een rangregeling niet.12