Einde inhoudsopgave
Achtergestelde vorderingen (O&R nr. 114) 2019/6.5.4.3
6.5.4.3 Beslag
mr. drs. N.B. Pannevis, datum 01-04-2019
- Datum
01-04-2019
- Auteur
mr. drs. N.B. Pannevis
- JCDI
JCDI:ADS186654:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Algemeen
Vermogensrecht / Rechtsvorderingen
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Over vorderingen onder tijdsbepaling: HR 3 mei 1996, NJ 1996/473 (M/W), r.o. 3.7, zie ook conclusie A-G De Vries Lentsch-Kostense onder 9, bevestigd in HR 24 juni 2016, NJ 2016/ 400 (M/J&B), r.o. 3.3.2, zie ook conclusie A-G De Vries Lentsch-Kostense daarbij onder 15, MvA I Inv. bij art. 441 Rv, Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Wijziging Rv, Wet RO en Fw, p. 108, Asser/Sieburgh 6-I 2016/248 en Mijnssen & Van Mierlo 2009, p. 30 e.v. Over vorderingen onder voorwaarde: MvT, Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Wijziging Rv, Wet RO en Fw, p. 312 (nr. 8), J.J. van Hees in zijn annotatie onder HR 3 mei 2002, JOR 2002/111 (Brandao/Joral), onder 6 en Jongbloed 2014, p. 118. Anders, onder het oude BW, Hofmann/Van Opstall 1976, p. 388-389. Zie over verbintenissen tussen de schuldeisers par. 6.1.1.
Jongbloed 2014, p. 118.
Jongbloed 2014, p. 118. Vgl. ook Mijnssen & Van Mierlo 2009, p. 32 en de conclusie van A-G De Vries Lentsch-Kostense voor HR 24 juni 2016, NJ 2016/400 (M/J&B), onder 15.
Vgl. Pannevis 2017.
Zie art. 3:296 lid 2 BW en par. 6.5.4.2.
Zie Rb. Zutphen (vzr.) 21 juni 2002, ECLI:NL:RBZUT:2002:AE4415 (Management/Exploitatie).
Dit volgt uit art. 704 lid 1 Rv. Zie ook Mijnssen & Van Mierlo 2009, p. 30 e.v.
Zie ook de volgende paragraaf.
Zie TM, Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 185 en art. 1298 BW (oud).
Zie par. 6.1.1.
344. Een opschortende tijdsbepaling, opschortende voorwaarde, of verbintenis tussen de schuldeisers staat niet in de weg aan het leggen van conservatoir beslag voor de juniorvordering.1 Gezien de taak van de rechter om te waken tegen vexatoire beslagen kan die het beslag voor een voorwaardelijke vordering weigeren, maar het ligt meer voor de hand dat dit pas in een opheffingskortgeding aan bod komt.2
De gevolgen van de tijdsbepaling of voorwaarde uiten zich in een kortgeding tot opheffing van het beslag.3 Daarin moet het belang van de beslagene bij opheffing van het beslag worden afgewogen tegen het belang van de achtergestelde schuldeiser bij handhaving daarvan.4 Het belang van de beslagene wordt bepaald door de hinder die het beslag veroorzaakt. Dit hangt sterk af van de omstandigheden van het geval.5 Het belang van de beslaglegger is afhankelijk van de kans dat zijn vordering überhaupt moet worden voldaan.6 Dat is de kans op vervulling van de voorwaarde of tijdsbepaling en dus de kans op volledige betaling van de senior.
De juniorschuldeiser kan daarom niet zijn belang bij het beslag onderbouwen door te stellen dat de schuldenaar dreigt de beslagen vermogensbestanddelen aan te wenden om de senior te voldoen. Dat is nu juist een belang waaraan de junior zijn vordering ondergeschikt heeft gemaakt. Bovendien leidt dit argument tot tegenstrijdigheden. Immers, als dat beslag wordt gehandhaafd worden de senioren niet voldaan, treedt de voorwaarde niet in vervulling en heeft de junior dus geen belang bij het beslag.
345. De executoriale titel in de hoofdzaak die bij het beslag wordt opgevoerd kan een veroordeling tot nakoming onder opschortende tijdsbepaling of voorwaarde zijn.7 Het beslag gaat vervolgens over in een executoriaal beslag wanneer de in het vonnis gestelde termijn voorbij gaat of de daarin genoemde voorwaarde is voldaan. Als de senior voorlopig niet wordt voldaan heeft de junior dus voorlopig geen opeisbare vordering, zodat zijn beslag niet executoriaal wordt. Dit kan reden zijn om het conservatoire beslag op te heffen.8
Voor voorwaardelijke vorderingen kan geen executoriaal beslag worden gelegd, omdat het nog niet zeker is dat de nakoming daarvan verschuldigd zal zijn.9 Executoriaal beslag voor een voorwaardelijke vordering zou kunnen leiden tot een gedwongen onverschuldigde betaling.10 Daarom zijn voor het intreden van de voorwaarde alleen conservatoire maatregelen mogelijk.11
346. Onderlinge verbintenissen tussen de schuldeisers beïnvloeden de bevoegdheid van de junior om beslag te leggen voor de juniorvordering niet.12