Einde inhoudsopgave
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/2.3.3.0
2.3.3.0 Inleiding
Mr. dr. T.A. Cramwinckel, datum 29-07-2022
- Datum
29-07-2022
- Auteur
Mr. dr. T.A. Cramwinckel
- JCDI
JCDI:ADS661454:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Organisatie Belastingdienst
Voetnoten
Voetnoten
De diverse redenen voor het bestaan van de voorlichtende taak leiden er onvermijdelijk toe dat de Belastingdienst voorlichting gaat geven en daarbij een invulling moet geven aan deze voorlichtende taak. De concrete invulling komt aan bod in hoofdstuk 3.
Schut 1974, onder punt A. Zie ook Scholten 1971.
Hofstra 1992, p. 192; Hofstra 1981, punt 8 over ‘inzicht in de menselijke aspecten van de belastingheffing’ wat tevens noodzaakt tot o.a. voorlichting.
Een terminologische opmerking: bij bestudering van bronnen, waaronder stukken van de Belastingdienst, moet worden geconstateerd dat de Belastingdienst niet steeds of niet steeds exclusief het begrip voorlichting hanteert, maar dit veelal valt onder of wordt aangeduid met (overigens niet steeds gedefinieerde) begrippen als dienstverlening, communicatie en informatie (zie paragraaf 3.1). Bij de inventarisatie van de taakopvatting van de Belastingdienst is voor mij telkens leidend geweest of uit de stukken aanknopingspunten volgen voor de eigen taakopvatting van de Belastingdienst ten aanzien van het geven van voorlichting.
Tot slot bespreek ik het derde argument reden waarom de Belastingdienst voorlichting geeft, te weten het beleidsmatige argument. Daarmee bedoel ik dat de Belastingdienst het als zijn taak beschouwt om burgers voor te lichten.1 Zoals hierna toegelicht, wil de Belastingdienst het publiek voorlichten en heeft hij daarvoor als wetsuitvoerder goede redenen (samengevat: ‘het is nuttig’). De voorlichtende taak is zichtbaar verankerd in zijn uitvoeringsstrategie.
Achtergrond
Het is niet altijd zo geweest dat de Belastingdienst een opdracht tot voorlichting zag. Waar tot de jaren 70 nauwelijks een taak bestond om de burger voor te lichten, veranderde dat als gevolg van nieuwe opvattingen over de verhouding tussen overheid en burgers (paragraaf 3.2). Die ontwikkelingen leidden ertoe, zo beschrijft Schut, dat de Belastingdienst niet langer kon volstaan met enkel het toepassen van de wet, maar ook ‘behulpzaam’ dient te zijn en een en ander ‘de taak’ meebracht ‘om in het belang van een juiste belastingheffing aan de belastingplichtige alle gewenste inlichtingen te verstrekken en hem te dien einde eventueel noodzakelijke bijstand te verlenen’.2 Volgens Hofstra past het door de Belastingdienst gevoerde ‘klantvriendelijke beleid’ in de (veranderende) relatie tussen de Belastingdienst en burgers. Volgens hem kan voorlichting bijdragen aan een goede verstandhouding tussen de Belastingdienst en burgers, wat van groot belang is voor ‘een bevredigende belastingheffing’.3 De wijze waarop de Belastingdienst in de loop der jaren zijn voorlichtende taak opvat en invult wordt behandeld in hoofdstuk 3.
Hierna zet ik aan de hand van onder andere (communicatie)beleidsstukken en andere documenten zoals Kamerstukken uiteen waarom de Belastingdienst voor zichzelf een voorlichtende taak ziet weggelegd en hoe de voorlichtende taak beleidsmatig is ingebed in zijn taak als wetsuitvoerder.4