Einde inhoudsopgave
Afspraken en Aanspraken (SteR nr. 57) 2023/9.6.0
9.6.0 Introductie
N. van Triet, datum 23-12-2022
- Datum
23-12-2022
- Auteur
N. van Triet
- JCDI
JCDI:ADS685326:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Sieburgh 6-IV 2019/131. Zie ook Fruytier 2021, par. 7.2. Op de discussie of de relativiteit een beperkend instrument of een fundering van aansprakelijkheid vormt, ga ik niet in. Zie Fruytier 2021, par. 7.5.2.
HR 20 september 2019, ECLI:NL:HR:2019:1409, NJ 2020/233, AB 2020/1 (Schietincident Alphen aan den Rijn). Zie eerder HR 7 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO6012, NJ 2006/281, AB 2005/127 (Duwbak Linda), rov. 3.4.1.
Rov. 3.1.3. Zie eerder HR 7 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO6012, NJ 2006/281, AB 2005/127 (Duwbak Linda), rov. 3.4.1.
Zie Asser/Sieburgh 6-IV 2019/135 met verwijzingen aldaar.
Van Dam 2020, p. 125-128.
Geen verplichting tot schadevergoeding bestaat wanneer de geschonden norm niet strekt tot bescherming tegen de schade zoals de benadeelde die heeft geleden, aldus artikel 6:163 BW en artikel 6:162 lid 1 BW.1 Om aansprakelijkheid vast te kunnen stellen, moet zijn voldaan aan het zogenoemde relativiteitsvereiste. Dit betekent dat een vordering dient te worden afgewezen indien de geschonden norm niet strekt ter bescherming van de (i) benadeelde; (ii) soort schade van de benadeelde en (iii) wijze waarop de schade is ontstaan.2 De relativiteitsleer kent in het overheidsaansprakelijkheidsrecht geen andere toepassing of invulling dan in het reguliere aansprakelijkheidsrecht. 3
De strekking van een norm speelt met name een uitdrukkelijke rol bij schending van wettelijke verplichtingen. Zo was het relativiteitsvereiste in het arrest over het Schietincident Alphen aan den Rijn4 een kernpunt. Daar ging het weliswaar om een schending van een wettelijke norm, maar de volgende overweging is eveneens van belang in geval van een schending van de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm:
“Bij de beantwoording van de vraag of is voldaan aan het in art. 6:163 BW neergelegde vereiste dat de geschonden norm strekt tot bescherming tegen de schade zoals de benadeelde die heeft geleden, komt het aan op het doel en de strekking van de geschonden norm, aan de hand waarvan moet worden onderzocht tot welke personen en tot welke schade en welke wijzen van ontstaan van schade de daarmee beoogde bescherming zich uitstrekt.”5
Hoewel in de literatuur dikwijls wordt aangenomen dat bij een succesvol beroep op de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm het relativiteitsvereiste zit ingebakken in het onrechtmatigheidsoordeel, speelt de relativiteit bij maatschappelijke zorgvuldigheidsnormen wel degelijk een zelfstandige rol. 6 Meer specifiek voor relativiteit bij maatschappelijke normen wordt in de literatuur erop gewezen dat de schadeveroorzaker bedacht moest zijn op het belang van de benadeelde, de benadeelde niet dezelfde normschending moet begaan en de relativiteitsnorm zorgt voor een beperking van het personele bereik van de aansprakelijkheid.7 Sieburgh merkt op dat de beantwoording van de vraag of de betreffende benadeelde en de door hem geleden schade door de norm zijn beschermd (relativiteit) niet samenvalt met de ‘beantwoording van de (niet noodzakelijk op de desbetreffende benadeelde toegespitste) vraag welke mate van zorgvuldigheid van de laedens kon worden verwacht’ (onrechtmatigheid).8