Het budgetrecht van het Nederlandse parlement
Einde inhoudsopgave
Het budgetrecht van het Nederlandse parlement 2017/2.10:2.10 De opschoning van de staatsfinanciën
Het budgetrecht van het Nederlandse parlement 2017/2.10
2.10 De opschoning van de staatsfinanciën
Documentgegevens:
mr. M. Diamant, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. M. Diamant
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Doordat het parlement probeerde in een zo vroeg mogelijk stadium betrokken te zijn bij het beleid was er – zoals uit de vorige paragraaf bleek – minder aandacht voor de financiële kant van het budgetrecht: de financiële autorisatie en controle. Dit negatieve effect dat de ontwikkeling van ‘meeregeren’ van het parlement teweeg bracht werd bevestigd door verschillende onregelmatigheden en overschrijdingen met de besteding van overheidsgelden in de jaren tachtig van de twintigste eeuw.
Naast de door het parlement geconstateerde onregelmatigheden met de besteding van overheidsgelden liep de verantwoording van de overheidsuitgaven sterk achter en de interne administratie en controle binnen het Rijk vertoonde gebreken. Zo werd bijvoorbeeld pas in 1985 het slot van de rekening over 1978 vastgesteld. Ook was het slecht gesteld met de overheidsfinanciën: begin jaren tachtig was er sprake van een financieringstekort van ongeveer 11%.1 Dit was ook niet verwonderlijk, gelet op de steeds omvangrijkere taken waar de Staat zich op toelegde. Op de lange termijn was dit niet meer houdbaar. De toenemende uitbreiding van de verzorgingsstaat had uiteindelijk niet alleen gevolgen voor de staat van de financiën – een groot overheidstekort – maar ook voor het financieel beheer van de overheid: de overheid was te ‘log’ geworden waardoor intern financieel management te wensen overliet.2 Bovendien had dit toenemende budgettaire inflexibiliteit tot gevolg. De uitgaven op de begroting worden grotendeels genormeerd door basiswetten. Met de uitbereiding van de verzorgingsstaat werden de uitgaven zoals die voortvloeien uit bestaande regelgeving alleen maar groter.3 Een herbezinning op de staatstaken – wat zijn essentiële taken van de overheid die overeind moeten worden gehouden? – en het op orde brengen van de staatsfinanciën kreeg in de laatste twee decennia van de twintigste eeuw daarom grote prioriteit. Een manier waarop werd geprobeerd de financiën op orde te krijgen was door middel van privatiseringen.
Overheidstaken werden afgestoten of op afstand gezet waardoor bespaard kon worden op de overheidsfinanciën. Dit betekende ook dat het parlement minder zicht en invloed had op deze gelden.
Vooral het op orde brengen van de financiën van de Staat – de sanering – vormde in deze periode de centrale noemer voor de ontwikkelingen in de politieke praktijk ten aanzien van het budgetrecht. Én het was vooral het parlement zelf dat op onderzoek uitging en verbeteringen voorstelde én eiste met betrekking tot de overheidsfinanciën en begrotingsbehandeling en -controle. Het instrument van de parlementaire enquête beleefde in de jaren tachtig van de twintigste eeuw dan ook een opbloei.
2.10.1 Tekort aan financiële controle2.10.2 Operatie Comptabel Bestel2.10.3 Introductie regels budgetdiscipline, verbetering meerjarencijfers en de toenemende rol van de regeerakkoorden voor het financiële kader