Einde inhoudsopgave
Het algemene opschortingsrecht (R&P nr. CA27) 2024/4.2.2
4.2.2 Dezelfde rechtsverhouding
G.J. Boeve, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
G.J. Boeve
- JCDI
JCDI:ADS950386:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 201-202 en Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 880-881.
Zie § 2.3. Aldus ook Hof Arnhem-Leeuwarden 14 juli 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:5456, r.o. 3.8.
Aldus ook Asser/Van Mierlo & Krzemiński 3-VI 2020/504; Fesevur, Voorrechten en retentierecht (Mon. BW nr. B13) 2017/22 onderdeel b; Aarts 1990, p. 133 en Fesevur 1988, p. 200.
Vgl. Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 890.
Zie over de ratio van art. 6:130 lid 1 BW ook Asser/Bartels & VanMierlo 3-IV 2021/357 en Mijnssen, Verbintenissen tot betaling van een geldsom (Mon. BW nr. B39) 2017/13.2. Zie ook Hof ’s-Gravenhage 6 februari 2007, ECLI:NL:GHSGR:2007:AZ7997, r.o. 19 en 21. Zie ook § 3.5.1.
Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 500.
Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 500.
De Grooth 1948, p. 92-93. Naar dit citaat verwijst Schoordijk 1979, p. 313 (zie hierna § 4.2.2, voetnoot 56).
De Grooth 1948, p. 93. Overigens deel ik niet dat de verrekeningsbevoegdheid steeds effectiever of efficiënter zou zijn dan het retentierecht en de enac. Dat is onder andere afhankelijk van de vraag of sprake is van wederzijdse verbintenissen die aan elkaar beantwoorden (vgl. art. 6:127 lid 1 BW) en de omvang van de verbintenissen over en weer. Zie ook § 2.5.5, § 6.3.2.1 en § 6.3.2.2.
De Grooth 1948, p. 94.
De Grooth 1948, p. 94.
Zie ook Asser/Sieburgh 6-II 2021/221 met verdere verwijzingen naar literatuur.
Zie ook voor wat betreft de verrekeningsbevoegdheid Faber 2005, p. 250 (“Aan de connexiteit tussen de actieve en de passieve vordering ontleent de schuldenaar het vertrouwen dat hij die vorderingen (nu of in de toekomst) met elkaar zal kunnen verrekenen.”) en Biemans, Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/596.
Zie ook Faber 2005, p. 254 en Faber 2000, par. 3. Zie voorts Schuijling, Verrekening (Mon. BW nr. B40) 2019/18; Klomp 2019c, aant. 7; Biemans, Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/596, voetnoot 2; Broekveldt, Derdenbeslag (BPP nr. I) 2003/315; concl. A-G Bakels 21 januari 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA4438, par. 2.14 en Rank, Geld, geldschuld en betaling (R&P nr. 94) 1996, p. 231. In de wetsgeschiedenis bij art. 6:52 lid 2 BW en art. 6:130 lid 1 BW is niet toegelicht of met het begrip ‘dezelfde rechtsverhouding’ hetzelfde wordt bedoeld (zie Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 209 en 500).
Zie ook Broekveldt, Derdenbeslag (BPP nr. I) 2003/315 en Rank, Geld, geldschuld en betaling (R&P nr. 94) 1996, p. 231.
Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 205 en ook p. 206.
Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 500, met verwijzing: “Zie over dit onderwerp De Grooth, De rechtsleer der rekening-courant en de compensatie p. 88-139.” Vgl. Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2021/357 en Mijnssen & Van Mierlo, Materieel beslagrecht (Mon. Pr. nr. 10) 2018/3.14 onder (b).
Aldus ook Asser/Sieburgh 6-I 2020/275, die dat ‘het belangrijkste geval’ daarvan noemt, en Klomp 2019a, aant. 10, die dat het ‘meest voor de hand liggende voorbeeld’ noemt.
Rank, Geld, geldschuld en betaling (R&P nr. 94) 1996, p. 231. Zie ook Meijer 2004, p. 10 en Platzer 2000, p. 46, alsook Van Gaalen 1996, p. 44, die meent dat de grondslag een wederkerige overeenkomst moet zijn, maar de verbintenissen niet wederkerig behoeven te zijn. Zie anders o.a. Broekveldt, Derdenbeslag (BPP nr. I) 2003/315.
Vgl. Suijling 1934/267 (“Daarom zal overal waar twee partijen als debiteur en crediteur tegenover elkander staan en hun vorderingsrechten tot dezelfde rechtsbetrekking behooren, d.i. uit dezelfde oorzaak ontstaan zijn, over en weer de bevoegdheid tot retentie mogen worden ingeroepen.”)
Zie bijv. Rb. Oost-Brabant (vzr.) 19 juli 2019, ECLI:NL:RBOBR:2019:4349, r.o. 5.7 (“(…) bestaat voldoende samenhang in de zin van art. 6:52 BW tussen de verbintenis van de curatoren om de Ferrari aan Ferrari Financial Services af te geven en de verbintenis van Ferrari Financial Services om de door de curatoren uit hoofde van zaakwaarneming geleden schade te vergoeden.”) en Rb. Noord-Holland (vzr.) 29 mei 2019, ECLI:NL:RBNHO:2019:4832, r.o. 5.15 (“Voor zover [gedaagde] ook teruggave van roerende zaken vordert, kan die vordering niet worden toegewezen, omdat Muurvast terecht stelt dat zij daar alleen toe gehouden is indien [gedaagde] de kosten van opslag vergoedt. Dat volgt ook uit de artikelen 6:52, 6:200 en 3:290 BW.”). Vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 26 april 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:3302, r.o. 7.11.
Zie ook Meijer 2004, p. 10 en concl. A-G Bakels 21 januari 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA4438(Stet/Braaksma), par. 2.13. Van Gaalen 1996 gaat wel uitvoerig in op art. 6:130 lid 1 BW, maar geeft nauwelijks nadere duiding aan het begrip ‘dezelfde rechtsverhouding’ (zie m.n. p. 43-44).
De Grooth 1948, p. 91, 94 en 400. Zie ook p. 393. Mijnssen & Van Mierlo, Materieel beslagrecht (Mon. Pr. nr. 10) 2018/3.14 onderdeel (b) spreken van een ‘fundamentele afhankelijkheid’.
Schoordijk 1979, p. 313, met citaat uit en verwijzing naar De Grooth 1948, p. 93, zoals hiervoor ook opgenomen (§ 4.2.2, voetnoot 38).
Concl. A-G Bakels 21 januari 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA4438 (Stet/Braaksma), par. 2.15.
HR 21 januari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4438, NJ 2000/237 (Stet/Braaksma), r.o. 3.4.2.
HR 21 januari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4438, NJ 2000/237 (Stet/Braaksma), r.o. 3.4.2. Zie over dit arrest ook Faber 2005, p. 250-252 en Platzer 2000.
HR 27 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU3777, NJ 2012/244, m.nt. S.F.M. Wortmann (Gangadin/Sheoratan), r.o. 3.5.1-3.5.2.
HR 27 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU3777, NJ 2012/244, m.nt. S.F.M. Wortmann (Gangadin/Sheoratan), r.o. 3.6.1.
Vgl. Hof ’s-Hertogenbosch 3 mei 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:1416, r.o. 3.9.3 (“De verplichtingen waar de man een beroep [op] doet (meewerken aan levering woning versus meewerken aan omgangsregeling) zijn geen tegenover elkaar staande verplichtingen en vertonen bovendien onvoldoende samenhang om een beroep op een opschortingsrecht te kunnen rechtvaardigen.”) en Rb. Rotterdam 24 september 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:11481, r.o. 4.3 (“De vordering van [eiser] ziet op de vermogensrechtelijke afwikkeling van de echtscheiding van partijen (hetgeen is neergelegd in het convenant) en ziet dus op de verhouding die partijen als ex-echtelieden met elkaar hebben. De vordering die [gedaagde] op [eiser] stelt te hebben, hangt daarentegen samen met het gezamenlijk ouderschap van partijen en de afspraken die partijen hierover hebben gemaakt in het ouderschapsplan. Deze vorderingen hebben onvoldoende samenhang om de opschorting te rechtvaardigen (artikel 6:52 BW).”).
Zie ook Dahm 2012, die opmerkt: “Aard van de vorderingen is bepalend.”
HR 27 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU3777, NJ 2012/244, m.nt. S.F.M. Wortmann (Gangadin/Sheoratan), r.o. 3.6.2. Zie voor een geval waarin verplichtingen in eenzelfde echtscheidingsconvenant niet samenhingen Rb. Noord-Holland (vzr.) 4 oktober 2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:8768, r.o. 5.3.
HR 27 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU3777, NJ 2012/244, m.nt. S.F.M. Wortmann (Gangadin/Sheoratan), r.o. 3.7.
De literatuur nam het vereiste van ‘een nauwe samenhang’ reeds tot uitgangspunt. Zie Broekveldt, Derdenbeslag (BPP nr. I) 2003/315, met verdere verwijzingen naar literatuur. Zie voor dit vereiste ook Asser/Van Mierlo & Krzemiński 3-VI 2020/242 en Wolters, Alle omstandigheden van het geval (O&R nr. 77) 2013, p. 216. Zie Klomp 2019b, aant. 7, die opmerkt dat ‘dezelfde rechtsverhouding’ per geval zal moeten worden beoordeeld.
Aldus ook Faber 2005, p. 252. Vgl. Schuijling, Verrekening(Mon. BW nr. B40) 2019/18, die dit beperkt tot ‘de vordering en schuld uit dezelfde wederkerige overeenkomst’.
Evenzo Van Dongen & Schuijling 2021, aant. 3.3; Schuijling, Verrekening (Mon. BW nr. B40) 2019/18 en Faber 2005, p. 252.
Aldus ook Fesevur, Voorrechten en retentierecht (Mon. BW nr. B13) 2017/15 onderdeel b.
Aldus ook Asser Procesrecht/Steneker 5 2023/476; Van Dongen & Schuijling 2021, aant. 3.3; Schuijling, Verrekening(Mon. BW nr. B40) 2019/18; Biemans, Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/596; Faber 2005, p. 252; Meijer 2004, p. 10; Platzer 2000, p. 46 en Broekveldt, Derdenbeslag (BPP nr. I) 2003/315. Zie anders Van Gaalen 1996, p. 44, en de door Faber 2005 op p. 252 in voetnoot 62 genoemde auteurs.
Zie ook Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2021/357; Rongen, Cessie (O&R nr. 70) 2012/937 en Broekveldt, Derdenbeslag (BPP nr. I) 2003/315. Opgemerkt zij dat deze eenheid doorgaans niet in verband wordt gebracht met het leerstuk van de ‘samenhangende overeenkomsten’ (Tjong Tjin Tai, Meerpartijenovereenkomst en samenhangende overeenkomsten (Mon. BW nr. A29) 2019/65 en Van Dongen, Groepen van contracten (O&R nr. 95) 2016, p. 270-272). Zie over de mogelijkheden van opschorting in geval van samenhangende overeenkomsten Zippro 2012, die het arrest Euretco/Naeije bespreekt als een geval van samenhangende overeenkomsten en niet als een geval van dezelfde rechtsverhouding (zie mijn andere opvatting in § 4.3.2).
Aldus ook Schuijling, Verrekening(Mon. BW nr. B40) 2019/18.
Vgl. Schuijling, Verrekening(Mon. BW nr. B40) 2019/18, die spreekt van ‘dezelfde transactie’. Vgl. voorts HR 9 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9234, NJ 2007/21, m.nt. P. van Schilfgaarde (Smit/Van Hees q.q.), r.o. 3.4.2-3.4.3 over de vraag onder welke omstandigheden sprake kan zijn van een samenstel van transacties (rechtshandelingen) die als één geheel dienen te worden betrokken bij de beoordeling van een vordering op grond van de faillissementspauliana. Zie bijv. Rb. Arnhem (vzr.) 22 december 2009, ECLI:NL:RBARN:2009:BK7340, r.o. 4.6 (“De vordering tot het verrichten van onderhoud/herstel en de verbintenis tot huurbetaling [vloeien voort] uit dezelfde rechtsverhouding, te weten de huurrelatie tussen partijen. Weliswaar hebben partijen met betrekking tot de onderhavige onroerende zaken afzonderlijke huurcontracten gesloten, maar voldoende aannemelijk is geworden dat die huurovereenkomsten zo nauw met elkaar verbonden zijn dat zij bezwaarlijk afzonderlijk van elkaar kunnen worden gezien: de ene huurovereenkomst (ter zake van de opstallen) is als het ware dienstbaar aan de andere (ter zake van de vliegstrip). Hun gezamenlijke doel is de goede uitoefening van de zweefvliegsport.”). Vgl. bijv. Rb. Limburg 31 augustus 2022, ECLI:NL:RBLIM:2022:6696, r.o. 4.18.4.
Wederkerige verbintenissen staan volgens de wetgever in ‘nauw verband’ (Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 993-994).
Vgl. Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/41, die in ‘voldoende samenhang’ een glijdende schaal leest van geen samenhang enerzijds tot een nauwe samenhang anderzijds. Vgl. voorts HR 17 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:723, NJ 2020/168, m.nt. red. aant. (X/Medline Hardenberg), r.o. 3.2.2, waarin hij overwoog dat tussen wederkerige verbintenissen ‘in beginsel eveneens voldoende samenhang bestaat om de opschorting te rechtvaardigen als bedoeld in art. 6:52 lid 1 BW’ en HR 23 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:970, RvdW 2023/724, r.o. 3.3.2. Vgl. ook Rb. Zeeland-West-Brabant 10 april 2019, ECLI:NL:RBZWB:2019:2115, r.o. 3.13 (“Voor een rechtsgeldig beroep op een retentierecht jegens een derde met een ouder recht ex art. 6:291 lid 2 BW dient dan ook te zijn voldaan aan het ‘debitum cum re iunctum-criterium’. Dit houdt in dat er een nauw verband dient te zijn tussen de vordering en de zaak zelf; de overeenkomst moet rechtstreeks betrekking hebben op de zaak zelf. Daarentegen hoeft op grond van art. 6:52 BW (slechts) voldoende samenhang tussen de vordering en de verbintenis te bestaan om opschorting jegens de schuldenaar te rechtvaardigen.”).
Van dezelfderechtsverhouding is sprake als de verbintenissen over en weer dezelfde juridische grondslag hebben of voortvloeien uit dezelfde oorzaak. Wanneer deze verbintenissen een verschillende juridische grondslag of oorzaak hebben, kunnen zij niettemin voortvloeien uit dezelfde rechtsverhouding als bedoeld in artikel 6:52 lid 2 BW, als deze voortvloeien uit een door partijen als eenheid bedoelde of uit een als eenheid te beschouwen rechtsverhouding. Deze gedachte ontleen ik mede aan de toepassing van artikel 6:130 lid 1 BW, waarin het begrip ‘dezelfde rechtsverhouding’ ook wordt gebruikt en dat een met het algemene opschortingsrecht vergelijkbare ratio heeft.
Het BW refereert op drie plaatsen aan ‘dezelfde rechtsverhouding’. Bij het algemene opschortingsrecht (art. 6:52 BW), bij het retentierecht (art. 3:294 BW) en bij het leerstuk van verrekening (art. 6:130 lid 1 BW). Het retentierecht was aanvankelijk nog opgenomen in de algemene opschortingsregeling.1 Tevens is het retentierecht eenbijzondere regeling van het algemene opschortingsrecht.2 Daarom denk ik met andere auteurs dat de wetgever met ‘dezelfde rechtsverhouding’ in het retentierecht hetzelfde bedoelt als in het algemene opschortingsrecht.3 Bij artikel 3:294 BW is ‘dezelfde rechtsverhouding’ niet toegelicht.4
Het begrip ‘dezelfde rechtsverhouding’ in artikel 6:52 lid 2 en artikel 6:130 lid 1 BW kan eveneens op overeenkomstige wijze worden uitgelegd. Artikel 6:130 lid 1 BW bepaalt dat als een vordering onder bijzondere titel is overgegaan, de schuldenaar dan bevoegd is, ondanks de overgang, ook een tegenvordering op de oorspronkelijke schuldeiser in verrekening te brengen, mits deze tegenvordering uit dezelfde rechtsverhouding als de overgegane vordering voortvloeit. Vergelijkbaar met de ratio van de algemene opschortingsregeling, beoogt deze bepaling de schuldenaar, die gerechtvaardigd vertrouwt op een verrekeningsmogelijkheid of toekomstige verrekeningsmogelijkheid als op een zekerheidsrecht, te beschermen.5 De wetgever acht het ‘onbillijk’ als de schuldenaar deze zekerheid zou verliezen door tussenkomst van een derde.6 Een dergelijk vertrouwen is onder meer gerechtvaardigd als de verbintenissen over en weer voortvloeien uit dezelfde rechtsverhouding.7 Volgens De Grooth, naar wiens betoog in de memorie van toelichting bij artikel 6:130 BW wordt verwezen,8 pleit de billijkheid sterk voor toelating van verrekening in die gevallen:
“omdat de wederzijdsche verplichtingen een synallagma vormen en het uitsluiten van het debat over de tegenvordering verstoring van het evenwicht, immers eenzijdige toewijzing en executie van één der praestaties, tengevolge zou hebben, waardoor de zekerheid, slechts te behoeven te voldoen tegen gelijktijdige voldoening door de wederpartij, procesrechtelijk niet gehandhaafd zou worden.”9
Vervolgens merkt De Grooth op dat deze verrekeningsbevoegdheid een toepassing is van het beginsel dat volgens hem eveneens ten grondslag ligt aan het retentierecht en de enac:
“Deze compensatie ex eadem causa is een consequente toepassing van het beginsel, aan het recht van retentie ten grondslag liggend, te weten het verschaffen van zekerheid, dat de tegenpraestatie zal worden voldaan. Past men deze gedachte toe op de overeenkomst waaruit voor elk der partijen geldelijke verplichtingen voortvloeien, dan komt men tot verrekening met elkaar van die verplichtingen, een meer effectief retentie-recht, waardoor immers niet de uitvoering van de verplichtingen wordt opgeschort, doch, tot het beloop van de kleinste, deze worden teniet gedaan. De exceptio non adimpleti contractus, het technische middel, waardoor de retentie op een verbintenis wordt werkzaam gemaakt, leidt aldus tot het meer efficiënte van de compensatio ex eadem causa.”10
De compensatio ex eadem causa vindt haar rechtvaardiging en wortelt volgens De Grooth in ‘de verhouding van afhankelijkheid van de uit een en dezelfde oorzaak ontstane vorderingen, die met elkaar verrekend worden’.11 Deze onderlinge afhankelijkheid van de verbintenissen is de ‘causa movens van deze in karakter met het retentie-recht overeenkomende compensatie’.12 De afhankelijkheid of samenhang tussen de verbintenissen over en weer verschaft de schuldenaar een mate van zekerheid dat zijn vordering op zijn schuldeiser zal worden voldaan, doordat hij in verband daarmee de nakoming van zijn verbintenis mag opschorten of zijn verbintenis met die vordering zal kunnen verrekenen.13 Daaraan ontleent de schuldenaar zijn vertrouwen op nakoming door zijn wederpartij.14 Aldus ligt aan het algemene opschortingsrecht en deze verrekeningsbevoegdheid een vergelijkbare gedachte ten grondslag. Daarom kan het begrip ‘dezelfde rechtsverhouding’ in artikel 6:52 lid 2 BW en artikel 6:130 lid 1 BW op overeenkomstige wijze worden uitgelegd.15
In de wet is niet nader bepaald wat het begrip ‘dezelfde rechtsverhouding’ betekent.16 Uit de memorie van toelichting bij het oorspronkelijk ontwerp van artikel 6:52 BW kan worden afgeleid dat met dezelfde rechtsverhouding wordt gedoeld op verbintenissen die dezelfde juridische grondslag hebben.17 Dat zijn bijvoorbeeld verbintenissen die voortvloeien uit dezelfde overeenkomst:
“Het Duitse wetboek stelt voor de toepassing van het ‘Zurückbehaltungsrecht’ de eis, dat de verplichting van de wederpartij uit dezelfde rechtsverhouding voortvloeit als de verplichting van de schuldenaar. In de praktijk is gebleken dat dit criterium te eng is. De Duitse rechtspraak heeft de bepaling dan ook toegepast in gevallen, waarin de wederzijdse verplichtingen weliswaar een verschillende juridische grondslag hebben (b.v. twee afzonderlijke overeenkomsten of wederzijds onverschuldigd verrichte betalingen), maar in het maatschappelijk verkeer als onderling samenhangend worden beschouwd.”18
De wederzijdse verbintenissen die voortvloeien uit dezelfde overeenkomst behoeven niet wederkerig te zijn, zo blijkt uit een voorbeeld dat ter toelichting op ‘dezelfde rechtsverhouding’ bij artikel 6:130 lid 1 BW is gegeven:
“Wanneer de beide vorderingen uit dezelfde rechtsverhouding voortspruiten, laat het artikel het beroep op verrekening in nog ruimere mate toe dan anders. Wanneer bij voorbeeld een verkoper die vooruitbetaling van de koopprijs heeft bedongen, zijn vordering op de koper aan een derde cedeert en daarna wanprestatie pleegt, moet de koper tegenover de cessionaris kunnen verrekenen met de schadevergoeding die hij van de verkoper te vorderen heeft; en dit ondanks het feit dat zijn vordering eerst op geld is komen te luiden na de cessie en na het opeisbaar worden van de koopprijs.”19
De verbintenis tot betaling van de koopprijs en de schadevergoedingsvordering zijn geen wederkerige verbintenissen of daarmee gelijk te stellen in de zin van artikel 6:261 BW. Deze vloeien niettemin wel voort uit dezelfde rechtsverhouding. Dat rechtvaardigt de – evidente – gedachte dat ook de tegenover elkaar staande verbintenissen uit een wederkerige overeenkomst voortvloeien uit dezelfde rechtsverhouding.20
Uit de hiervoor geciteerde toelichting op artikel 6:52 BW zou kunnen worden afgeleid dat de wetgever uitgaat van een tamelijk strikt criterium voor het bestaan van dezelfde rechtsverhouding, in die zin dat daarvoor de juridische grondslag van de verbintenissen dezelfde dient te zijn. In de literatuur is een beperkte uitleg van dit begrip ook wel verdedigd.21 Uit de parlementaire geschiedenis leid ik evenwel af dat dit criterium ruimer mag worden uitgelegd. Ook wanneer de verbintenissen dezelfde oorzaak, maar niet dezelfde juridische grondslag hebben, kunnen zij voortvloeien uit dezelfde rechtsverhouding in de zin van artikel 6:52 lid 2 BW.22 In de wetsgeschiedenis is het voorbeeld genoemd waarin een zaakwaarnemer de verplichting tot afgifte van de zaak aan de eigenaar opschort in verband met zijn vordering als bedoeld in artikel 6:200 BW.23 De eigenaar eist zijn eigendom op grond van artikel 5:2 BW op en heeft een uit de wet voortvloeiende verbintenis tot betaling jegens zijn zaakwaarnemer. De afgifteverplichting van de zaakwaarnemer heeft een andere grondslag dan zijn vordering op de eigenaar. Evenwel hebben deze wederzijdse verplichtingen dezelfde oorzaak, gelegen in het moment waarop de zaakwaarnemer zich willens en wetens en op redelijke grond inliet met de behartiging van de belangen van de eigenaar van de zaak, zonder de bevoegdheid daartoe aan een rechtshandeling of een elders in de wet geregelde rechtsverhouding te ontlenen (art. 6:198 BW). Op dat moment ontstond de door het recht beheerste verhouding tussen de zaakwaarnemer en de eigenaar, waaruit enerzijds de vordering tot schadevergoeding en anderzijds de afgifteverplichting voortvloeien, zonder dat deze vordering en verplichting dezelfde juridische grondslag hebben.24
Onder verbintenissen die voortvloeien uit dezelfde rechtsverhouding kunnen denk ik tevens worden begrepen de verbintenissen die voortvloeien uit een door partijen als eenheid bedoelde of als een eenheid te beschouwen rechtsverhouding, zonder dat die verbintenissen dezelfde juridische grondslag hebben of noodzakelijkerwijs dezelfde oorzaak hebben.
Over de vraag wanneer sprake is van dezelfde rechtsverhouding is voorafgaand aan het kalenderjaar 2000 betrekkelijk weinig literatuur verschenen.25 Volgens De Grooth dient voor ‘verrekening van wederzijdsche geldelijke verplichtingen uit denzelfden onstaansbron geboren’ sprake te zijn van een onderlinge afhankelijkheid van verbintenissen over en weer of, wanneer deze verbintenissen voortvloeien uit een overeenkomst, ‘functioneel afhankelijke verbintenissen’ over en weer.26 Ook Schoordijk ontleent aan de onderlinge afhankelijkheid van de verbintenissen over en weer een maatstaf voor dezelfde rechtsverhouding als bedoeld in artikel 6:130 lid 1 BW en spreekt van ‘samenhangende vorderingen’:
“In geval van met elkander samenhangende vorderingen dient elke vordering die naar zijn aard of om het anders uit te drukken naar de aard van de overeenkomst of naar de aard van een andere wederzijdse rechtsbetrekking, zozeer samenhangt met eventuele tegenvorderingen, dat ontkoppeling niet gerechtvaardigd is, voor verrekening in aanmerking te komen.”27
In het arrest Stet/Braaksma heeft de Hoge Raad overwegingen gewijd aan de vraag wanneer van dezelfde rechtsverhouding sprake is. In het aan dit arrest ten grondslag liggende geval ging het onder andere om de vraag of de vordering van Stet op Tabak uit hoofde van lening voortvloeide uit dezelfde rechtsverhouding als de schuld van Stet aan Braaksma uit hoofde van een huurovereenkomst, die onder bijzondere titel van Tabak op Braaksma was overgegaan. De rechtbank oordeelde dat deze verbintenissen niet voortvloeiden uit dezelfde rechtsverhouding. Onder verwijzing naar De Grooth en Schoordijk concludeerde A-G Bakels ten aanzien van het begrip ‘dezelfde rechtsverhouding’ in artikel 6:130 lid 1 BW:
“Mét Schoordijk kan worden gezegd dat vorderingen voortvloeien uit dezelfde rechtsverhouding in de zin van deze bepaling, als het gaat om vorderingen die naar de aard van de overeenkomst of naar de aard van een andere wederzijdse rechtsbetrekking zozeer samenhangen, dat ontkoppeling niet gerechtvaardigd is. De Grooth spreekt in dit verband van een ‘functionele afhankelijkheid van de wederzijdse prestaties’.”28
De Hoge Raad overwoog dat een mate van samenhang tussen de wederzijdse verbintenissen bepalend is voor het antwoord op de vraag of zij uit dezelfde rechtsverhouding voortvloeien:
“Bij de beoordeling van het middel moet voorop worden gesteld dat de vraag of zodanige samenhang bestaat tussen een schuld en een vordering van degene die zich op verrekening beroept dat gezegd kan worden dat zij uit dezelfde rechtsverhouding voortvloeien zoals bedoeld in art. 6:130 lid 1 BW, moet worden beantwoord aan de hand van alle omstandigheden van het geval.”29
De Hoge Raad ging in dit arrest niet nader in op de vraag wat de mate van samenhang ten minste moet zijn om de conclusie te rechtvaardigen dat de verbintenissen uit dezelfde rechtsverhouding voortvloeien. Op basis van de omstandigheden van het geval zal dienen te worden bepaald of de verbintenissen over en weer voortvloeien uit dezelfde rechtsverhouding. De Hoge Raad liet de beoordeling daarvan in dit geval over aan het verwijzingshof. Wel gaf hij een overzicht van omstandigheden die volgens hem voor die beoordeling relevant zijn. Deze omstandigheden hebben betrekking op de onderlinge afhankelijkheid of afstemming van de lening en de huurovereenkomst en het tijdstip en de wijze van de totstandkoming van deze overeenkomsten.30
In het arrest Gangadin/Sheoratan uit 2012 ging de Hoge Raad wel in op de vraag wat de mate van samenhang tussen de wederzijdse verbintenissen moet zijn om de conclusie te rechtvaardigen dat de verbintenissen uit dezelfde rechtsverhouding voortvloeien. Daarin overwoog hij dat de verbintenissen voldoende nauw met elkaar moeten samenhangen. In dit arrest staat de vraag centraal of de vordering van alimentatierechtelijke aard van de vrouw op de man voortvloeit uit dezelfde rechtsverhouding als de vordering uit hoofde van overbedeling van de man op de vrouw, die bij voorbaat is gecedeerd aan een derde. Het hof oordeelde dat het verrekeningsverweer van de vrouw afstuitte op het wederkerigheidsvereiste van artikel 6:127 lid 2 BW. Nadat de Hoge Raad heeft overwogen dat artikel 6:130 lid 1 BW een uitzondering maakt op dat wederkerigheidsvereiste, overwoog hij:
“Het uitzonderingskarakter van de in art. 6:130 lid 1 aan de schuldenaar toegekende bevoegdheid brengt mee dat deze slechts kan worden aanvaard als de tegenvordering waarop de schuldenaar zich beroept, voldoende nauw samenhangt met de gecedeerde vordering om doorbreking van de in art. 6:127 lid 2 neergelegde hoofdregel (van identiteit van partijen) te kunnen rechtvaardigen. Het antwoord op de vraag of dit het geval is, moet in beginsel worden gegeven naar de stand van zaken op het moment waarop de cessie op de voet van art. 3:94 lid 1 BW aan de schuldenaar wordt medegedeeld, tenzij partijen bij de rechtsverhouding waaruit de gecedeerde vordering voortvloeit, anders hebben bepaald, of uit hun rechtsverhouding anders voortvloeit. Daarbij moet worden gelet op alle omstandigheden van het geval (HR 21 januari 2000, LJN AA4438, NJ 2000/237, rov. 3.4.2).”31
De omstandigheid dat de verbintenissen over en weer zijn geregeld in hetzelfde document, in dit geval een echtscheidingsconvenant, brengt volgens de Hoge Raad niet noodzakelijkerwijs mee dat zij uit dezelfde rechtsverhouding voortvloeien als bedoeld in artikel 6:130 lid 1 BW. Aansluitend overwoog hij:
“Dit klemt in het onderhavige geval temeer omdat de vordering van de vader is gebaseerd op overbedeling van de moeder bij de afwikkeling van de gemeenschap die tussen hen beiden bestond, terwijl de tegenvordering van de moeder alimentatierechtelijk van aard is, en berust op de ook na echtscheiding tot op zekere hoogte nog voortdurende lotsverbondenheid tussen de gewezen echtelieden.”32
Naar ik begrijp brengt de Hoge Raad hiermee tot uitdrukking dat de verbintenissen niet dezelfde juridische grondslag hebben. De grondslag van de ene vordering is gelegen in de afwikkeling van de goederenrechtelijke gemeenschap tussen partijen, die ook onafhankelijk van een huwelijk kan bestaan, en de andere vordering berust op de verhouding die tussen gewezen echtelieden bestaat.33 Door deze verbintenissen in hetzelfde echtscheidingsconvenant op te nemen, veranderden die grondslagen niet. Dit verschil tussen de grondslagen kan leiden tot de conclusie dat de vereiste voldoende nauwe samenhang niet bestaat.34 Toch is de omstandigheid dat de verbintenissen in hetzelfde document zijn erkend niet een irrelevante omstandigheid:
“Anderzijds is van belang dat partijen een overeenkomst (het convenant) hebben opgemaakt en ondertekend voorafgaand aan de echtscheidingsprocedure (zie hiervoor in 3.1 onder (v)). De ervaring leert dat partijen vaak ernaar streven in een dergelijk convenant een alomvattende regeling van hun onderlinge verhouding vast te leggen. De omstandigheid dat vordering en tegenvordering aldus in één en dezelfde overeenkomst zijn erkend kan een aanwijzing zijn voor de te dezen vereiste samenhang.”35
De Hoge Raad casseerde het arrest van het hof
‘opdat het verwijzingshof, met inachtneming van het vorenstaande, kan beoordelen of in het onderhavige geval is voldaan aan de voormelde eis van voldoende nauwe samenhang tussen vordering en tegenvordering teneinde te kunnen aannemen dat de tegenvordering voortvloeit uit dezelfde rechtsverhouding als bedoeld in art. 6:130 lid 1’.36
Voor het antwoord op de vraag of de verbintenissen over en weer voortvloeien uit dezelfde rechtsverhouding, dient aan de hand van alle omstandigheden van het geval te worden beoordeeld of deze verbintenissen voldoende nauw met elkaar samenhangen.37 Deze voldoende nauwe samenhang zal doorgaans bestaan als de wederzijdse verbintenissen dezelfde juridische grondslag hebben. Verbintenissen die hun oorspronghebben in dezelfde overeenkomst hebben dezelfde juridische grondslag en vloeien voort uit dezelfde rechtsverhouding.38 Daarvoor is niet zonder meer voldoende dat de verbintenissen over en weer enkel zijn erkend in hetzelfde document.39 Een nadere kwalificatie van de overeenkomst is niet nodig.40 Evenwel is het niet ondenkbaar dat een eventuele kwalificatie kan helpen bij de beantwoording van de vraag of de verbintenissen over en weer dezelfde oorsprong hebben. Voor een positief antwoord op deze vraag behoeven de verbintenissen niet wederkerig te zijn in de zin van artikel 6:261 BW.
Voor het bestaan van de vereiste voldoende nauwe samenhang is niet noodzakelijk dat de verbintenissen voortvloeien uit een overeenkomst, laat staan dezelfde overeenkomst of zelfs een wederkerige overeenkomst.41 Evenmin is nodig dat zij dezelfde juridische grondslag hebben. Ook verbintenissen die niet dezelfde grondslag hebben, maar wel hun oorsprong hebben in dezelfde oorzaak, kunnen voortvloeien uit dezelfde rechtsverhouding.
Wanneer de verbintenissen niet dezelfde juridische grondslag of dezelfde oorzaak hebben, kan daartussen niettemin de vereiste voldoende nauwe samenhang bestaan, als zij voortvloeien uit een door partijen als eenheid bedoelde of uit een als eenheid te beschouwen rechtsverhouding.42 Een dergelijke rechtsverhouding dient te worden vastgesteld aan de hand van alle omstandigheden van het geval, waarbij de omstandigheid dat de verbintenissen zijn erkend in hetzelfde document reeds een aanwijzing kan zijn voor de vereiste samenhang.43 Wanneer die omstandigheid zich niet voordoet, kan worden gelet op de inhoud van de verschillende rechtshandelingen die ten grondslag liggen aan de betreffende verbintenissen, de onderlinge afhankelijkheid of afstemming daarvan, die mede kan blijken uit formuleringen in akten, en de wijze en het tijdstip van de totstandkoming van deze rechtshandelingen.44
Toegepast op artikel 6:52 BW bestaat tussen de verbintenissen over en weer die voortvloeien uit dezelfde rechtsverhouding voldoende nauwe, en dus ook voldoende samenhang om opschorting te rechtvaardigen. Weliswaar is de in artikel 6:52 lid 2 BW opgenomen omstandigheid dat de verbintenissen over en weer voortvloeien uit dezelfde rechtsverhouding een illustratie van het samenhangcriterium, maar ik denk niet dat die omstandigheid alleen maar voldoende samenhang tussen de verbintenissen kan illustreren. Een nadere definiëring van een voldoende samenhang en een voldoende nauwesamenhang ontbreekt.45 Niettemin wekt dit woordgebruik de indruk dat een voldoende samenhang niet zonder meer een voldoende nauwe samenhang betekent, maar dat een voldoende nauwe samenhang wel voldoende samenhang omvat.46 Daarom kan de omstandigheid van ‘dezelfde rechtsverhouding’ tegelijk een illustratie zijn van voldoende samenhang en voldoende nauwe samenhang betekenen.