Groepsregime, jaarrekening en 403-aansprakelijkheid
Einde inhoudsopgave
Groepsregime, jaarrekening en 403-aansprakelijkheid (IVOR nr. 116) 2019/4.4:4.4 Afsluitende conclusie
Groepsregime, jaarrekening en 403-aansprakelijkheid (IVOR nr. 116) 2019/4.4
4.4 Afsluitende conclusie
Documentgegevens:
mr. drs. E.C.A. Nass, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
mr. drs. E.C.A. Nass
- JCDI
JCDI:ADS85700:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De drie lidstaten die naast Nederland de vrijstellingsregeling in hun nationale wetgevingen hebben overgenomen, hebben de consolidatievoorwaarde verwerkt in overeenstemming met de unitaire vrijstellingsregeling. Vanwege de hiervan afwijkende Nederlandse regeling sluit deze niet geheel aan op hetgeen hierover in de EU richtlijn jaarrekeningen is bepaald. Dit hangt samen met een andere invulling van de in de consolidatiekring te betrekken maatschappijen waardoor dochtermaatschappijen die niet tot de groep in de zin van art. 2:24b BW behoren, buiten de consolidatie moeten blijven en inconsistent met art. 2:24b BW andere rechtspersonen waarop een overheersende invloed of control kan worden uitgeoefend, wel in de consolidatie moeten worden betrokken. Het zou de vergelijkbaarheid binnen de EU ten goede komen indien de Nederlandse wetgever zou bepalen dat dochtermaatschappijen in elk geval moeten worden geconsolideerd; tegelijkertijd zou dan ook het Nederlandse groepsbegrip van art. 2:24b BW voor toepassing van consolidatiedoeleinden in Titel 9 Boek 2 BW moeten worden uitgesloten. Wel zal dan in ieder geval de consolidatie-uitsluitingsgrond ‘ingrijpende en langdurige beperkingen van wezenlijke betekenis in het bestuur over een dochtermaatschappij of in de centrale leiding’ in onze wetgeving (art. 2:407 lid 1 BW) moeten worden opgenomen.
Voorts is het gewenst dat de consolidatievoorwaarde als bepaald in art. 2:403 BW jo. art. 2:406 BW wordt afgestemd op de begripsbepaling van dochteronderneming als omschreven in Richtlijn 2013/34/EU ter voorkoming van de in hoofdstuk 2 al gesignaleerde problematiek dat een rechtspersoon als omschreven in art. 2:360 BW die dochtermaatschappij is van een maatschappij uit een andere lidstaat geen gebruik kan maken van art. 2:403 BW indien hij niet behoort tot de groep in de zin van art. 2:24b BW en dat een moedermaatschappij die rechtspersoon is als omschreven in art. 2:360 BW voor haar groepsmaatschappijen in Luxemburg, Ierland en Duitsland van de vrijstellingsregeling in die landen alleen gebruik kan maken indien deze maatschappijen dochtermaatschappijen naar het toepasselijke recht zijn.
Evenzeer is het gewenst dat er een voorschrift komt waaruit blijkt dat voor het gebruik van het groepsregime ook een noodzakelijke voorwaarde is dat in de geconsolideerde jaarrekening is vermeld dat en door welke rechtspersonen gebruik wordt gemaakt van het groepsregime.