Einde inhoudsopgave
Afspraken en Aanspraken (SteR nr. 57) 2023/4.5.2
4.5.2 Civiele rechter
N. van Triet, datum 23-12-2022
- Datum
23-12-2022
- Auteur
N. van Triet
- JCDI
JCDI:ADS685353:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 31 december 1915, ECLI:NL:HR:1915:62, NJ 1916, p. 404 (Guldemond) en HR 22 februari 1957, NJ 1957/310 (Schel- en deuropenersarrest). De bevoegdheid van de burgerlijke rechter om in beginsel kennis te nemen van vorderingen gegrond op een onrechtmatige overheidsdaad, berust op art. 112 lid 1 Grondwet.
Schlössels, Schutgens & Zijlstra 2019, p. 137-139.
Dit is het geval als de bijzondere rechtsgang voldoet aan de eisen van art. 6 en 13 EVRM en in de bijzondere rechtsgang hetzelfde als in de bijzondere rechtsgang bereikt kan worden: Kortmann 2009, p. 239 en voorwoord Schlössels in Schlössels e.a. 2015. Dit gaat nog steeds geregeld mis, zoals Rb. Den Haag 7 maart 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:2647 en Rb. Limburg 2 februari 2018, ECLI:NL:RBLIM:2018:1083 illustreren. Aan het Guldemond-arrest in combinatie met de ontvankelijkheidsleer dankt de civiele rechter zijn taak als ‘restrechter’.
Zie nader par. 5.2.
Zie Polak 2019a, p. 19-22.
De burgerlijke rechter is op grond van het Guldemond-arrest1 bevoegd van iedere vordering kennis te nemen die civielrechtelijk is ingekleed. Dit wordt aangeduid als de objectum litis-leer: als de eis betrekking heeft op een gestelde schending van burgerlijke rechten of strekt tot afdwinging van een schuldvordering zoals betaling van schadevergoeding uit onrechtmatige daad, dan is de bevoegdheid van de burgerlijke rechter gegeven.2 Die inherente bevoegdheid van de civiele rechter betekent evenwel niet dat hij iedere eiser met een civielrechtelijk ingestoken vordering ontvangt. Wanneer aan de burger een met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang openstaat of heeft gestaan, verklaart de burgerlijke rechter de eiser niet-ontvankelijk in zijn vordering.3
Voor zover relevant voor dit onderzoek, is het zo dat een procedure bij de bestuursrechter niet rechtstreeks is gericht op de (on)rechtmatigheid van een voorbereidingshandeling in de vorm van een bevoegdhedenovereenkomst, toezegging of inlichting (maar op het daaropvolgende besluit), zodat kan worden betoogd dat bij de bestuursrechter niet een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang openstaat om een schending van gerechtvaardigd vertrouwen ontleend aan die inlichtingen aan de orde te stellen.
In tegenstelling tot de bestuursrechter – die gebonden is aan het besluit als rechtsingang – kan de civiele rechter rechtshandelingen zoals (de uitvoering van) een bevoegdhedenovereenkomst en toezegging en feitelijk handelen zoals het verstrekken van inlichtingen wél zelfstandig beoordelen.4 De burgerlijke rechter beoordeelt daarbij of het niet nakomen van een bevoegdhedenovereenkomst of toezegging of het verstrekken van onjuiste inlichtingen grond biedt voor toewijzing van een vordering tot nakoming of schadevergoeding wegens wanprestatie of een onrechtmatige daad.5 Hij moet de vraag beantwoorden of de vertrouwensschending – de schending van een nakomingsplicht in geval van bevoegdhedenovereenkomsten en toezeggingen of een waarheidsplicht in geval van inlichtingen – tot een veroordeling tot nakoming moet leiden of schade heeft veroorzaakt die voor vergoeding in aanmerking komt. Hij doet geen uitspraak over de rechtmatigheid van het eventueel met de overheidsuitlating samenhangende besluit.
De precieze reikwijdte van het beoordelingsveld van de bestuursrechter enerzijds en de burgerlijke rechter anderzijds in het kader van een vertrouwensschending is nog niet geheel uitgekristalliseerd, althans de rechtspraak is niet altijd even duidelijk.6 Om alle vorderingen veilig te stellen, kan het daarom soms noodzakelijk zijn om zekerheidshalve een besluit aan te vechten, ook als een belanghebbende zich met de inhoud daarvan kan verenigen.
Op de problematiek van samenhang tussen handelingen voorafgaand aan een besluit en het besluit zelf, ziet het volgende hoofdstuk.