Einde inhoudsopgave
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/7.4.2.2
7.4.2.2 De bij dode opgerichte stichting als ‘sterfhuisconstructie’
mr. T.F.H. Reijnen, datum 01-09-2020
- Datum
01-09-2020
- Auteur
mr. T.F.H. Reijnen
- JCDI
JCDI:ADS232345:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Erfrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie over de openbare orde en goede zeden Asser/Sieburgh 6-III 2018/310.
Artikel 4:184 lid 2 letters c en d BW. Wil een schuldeiser van de nalatenschap zich kunnen verhalen op het eigen vermogen van de erfgenaam die heeft aanvaard onder het voorrecht van boedelbeschrijving, dan moet sprake zijn van een onttrekking aan het verhaal van schuldeisers of een ernstige tekortkoming in zijn taak als vereffenaar van welke tekortkoming die erfgenaam een verwijt gemaakt kan worden.
De maatschappelijke behoefte aan bescherming van erfgenamen tegen onverwachte schulden van de erflater blijkt wel uit het rapport ‘Erven zonder financiële zorgen’ van de Radboud Universiteit Nijmegen en Netwerk Notarissen en de daaruit voortvloeiende invoering van artikel 4:194a BW (Stb. 2016, 226).
Zie over artikel 4:194a BW, L.A.G.M. van der Geld, ‘Wat brengt de Wet bescherming erfgenamen tegen schulden?’, TE 2018/02. Van der Geld concludeert dat artikel 4:194a BW maar een zeer beperkte bescherming biedt.
Toen ik in 1987 in de notariële praktijk ging werken, werd mij al direct duidelijk gemaakt dat de nalatenschap van een notaris nooit zuiver aanvaard mocht worden.
Zie het jurisprudentieoverzicht van H.J. de Jonge, ‘Twee jaar Wet BETS; het advies is nog steeds beneficiair aanvaarden’, JBN 2018/58 en L.A.G.M. van der Geld, ‘Wat brengt de Wet bescherming erfgenamen tegen schulden?’, TE 2018/02.
Het voortbestaan van de stichting is op zichzelf geen belang van de stichting, W.J.M. van Veen, ‘Het belang van de rechtspersoon en zijn ‘raison d’etre’’, WPNR 2017/7162, onder verwijzing naar J.M.M. Maeijer.
Om maar meteen met een belangrijk punt te beginnen: het beschermen van erfgenamen tegen schuldeisers van de erflater is niet in strijd met de openbare orde of de goede zeden (artikel 3:40 BW).1 Een erfgenaam is immers niet verplicht de nalatenschap zuiver te aanvaarden. Hij kan ook kiezen voor verwerping of aanvaarding van de nalatenschap onder het voorrecht van boedelbeschrijving, ook wel beneficiaire aanvaarding genoemd (artikel 4:190 BW).
Het verwerpen of aanvaarden onder het voorrecht van boedelbeschrijving van een nalatenschap door de erfgenamen heeft tot gevolg, dat de schuldeisers van de nalatenschap zich slechts op de nagelaten goederen van de erflater kunnen verhalen en niet op het eigen vermogen van de erfgenaam (artikel 4:184 lid 1 en lid 2 letter a BW). Ook als daarvoor andere technieken worden aangewend dan verwerping of aanvaarding onder het voorrecht van boedelbeschrijving van de nalatenschap van de erflater, is de bescherming van erfgenamen tegen schulden van de nalatenschap niet in strijd met de openbare orde of goede zeden vanwege de algemeen aanvaarde mogelijkheid tot bescherming van de erfgenamen tegen de schulden van de erflater.
Verwerping heeft als voor de hand liggend nadeel dat de erfgenaam niets uit de nalatenschap verkrijgt, ook niet als deze positief is. Aanvaarding onder het voorrecht van boedelbeschrijving heeft als nadeel dat onder omstandigheden de bescherming tegen schulden van de erflater verloren kan gaan.2 Het grootste risico voor een erfgenaam is echter dat hij de nalatenschap zuiver aanvaardt in de veronderstelling dat de nalatenschap groot genoeg is om alle schulden te voldoen, maar dat dat achteraf toch niet zo blijkt te zijn. De eerste gedachte die hierbij opkomt is, dat de verplichtingen uit de nalatenschap zolang doorlopen dat de aanvankelijk ruim voldoende ingeschatte nalatenschap na verloop van tijd toch onvoldoende groot blijkt te zijn. Een andere voor de hand liggende grond voor het achteraf toch onvoldoende groot blijken van de nalatenschap is die van later opkomende schuldeisers met voor de erfgenamen nog onbekende schulden.3 Hoewel artikel 4:194a BW enige bescherming biedt tegen onbekende schulden, geldt de bescherming uitsluitend voor de schulden die de erfgenamen niet kenden en niet behoorden te kennen. In dat geval kunnen de erfgenamen binnen drie maanden nadat zij de schuld ontdekken, de kantonrechter verzoeken alsnog beneficiair te mogen aanvaarden.4 Voorbeelden van dergelijke onbekende schulden zijn schulden uit onrechtmatige daad, bestuurdersaansprakelijkheid en beroepsaansprakelijkheid, allemaal voor zover deze zich manifesteren na het na het overlijden van de erflater.5 In de jurisprudentie wordt de lat voor toepassing van artikel 4:194a BW hoog gelegd.6
Als een erflater vindt dat hij moet voorkomen dat zijn nabestaanden in de verleiding kunnen komen de nalatenschap zuiver te aanvaarden, is het denkbaar dat de erflater een bij dode opgerichte stichting tot enig erfgenaam benoemt onder de verplichting voor de stichting dat wat na de voldoening van de schulden resteert, op grond van een legaat of last uit te keren aan de erfgenamen volgens de wet of aan andere, door de erflater benoemde personen. Deze personen zijn de materiële erfgenamen en de stichting is niet meer dan een vehikel om te bereiken dat deze materiële erfgenamen het hun toekomende verkrijgen. Van strijd met artikel 2:285 lid 3 BW (de verboden uitkering) is geen sprake. Zoals uit 5.2.1 bleek, is het voldoen van een legaat of last een verplichting en daardoor geen verboden uitkering.
De bij dode opgerichte stichting werkt daardoor als beschermingsconstructie voor een erfgenaam.
Wellicht komt de gedachte op dat het aanvaarden van een negatieve nalatenschap in strijd is met het belang van de stichting. Dit is echter niet het geval. Als de stichting is opgericht als ‘sterfhuisconstructie’ is dat precies wat de erflater/oprichter wil, zodat dit ook het belang van de stichting is (besproken in 2.2.2.4.2).7 In het geval de bij dode opgerichte stichting enig erfgenaam is en haar de verplichting is opgelegd dat wat als overschot resteert nadat alle overige schuldeisers van de nalatenschap zijn betaald, uit te keren aan de materiële erfgenamen, kan de afwikkeling van de nalatenschap zonder veel formaliteiten plaatsvinden. Er is immers slechts één erfgenaam. Als de schulden onverhoopt groter zijn dan de baten, raakt dat de materiële erfgenamen niet in hun eigen vermogen, terwijl zij wel volledig profiteren van de voordelen als de nalatenschap positief is.
Als de bij dode opgerichte stichting tussen de materiële erfgenamen en de schuldeisers van de nalatenschap wordt geschoven, zijn twee erfrechtelijke situaties te onderscheiden. De eerste is dat de bij dode opgerichte stichting de nalatenschap van de oprichter/erflater zuiver heeft aanvaard, waardoor de ‘gewone’ afwikkelingsprocedure kan worden doorlopen. De tweede mogelijkheid is dat de bij dode opgerichte stichting de nalatenschap heeft aanvaard onder het voorrecht van boedelbeschrijving. In dat geval moet de nalatenschap worden vereffend. Ook als de nalatenschap niet is aanvaard onder het voorrecht van boedelbeschrijving, kan vereffening verplicht zijn. Dat is het geval als de rechter op de voet van artikel 4:204 BW een vereffenaar benoemt.
Nadat de nalatenschap van de erflater helemaal is afgewikkeld, heeft de stichting geen bestaansrecht meer en kan deze worden ontbonden. Na de ontbinding dient onder omstandigheden het vermogen van de bij dode opgerichte stichting te worden vereffend. Wellicht biedt deze vereffeningsprocedure de eventueel niet-betaalde schuldeiser van de nalatenschap nog enige hoop op voldoening van zijn vordering. Ik loop de hiervoor genoemde wijzen van afwikkeling van de nalatenschap na.
7.4.2.2.1 De afwikkeling van de nalatenschap bij zuivere aanvaarding7.4.2.2.2 De nalatenschap wordt vereffend7.4.2.2.3 Biedt de vereffening van het vermogen van de bij dode opgerichte stichting de schuldeisers van de erflater nog mogelijkheden?