Instellingen voor collectieve belegging in effecten
Einde inhoudsopgave
Instellingen voor collectieve belegging in effecten (O&R nr. 119) 2020/4.5.3.6:4.5.3.6 Conclusie
Instellingen voor collectieve belegging in effecten (O&R nr. 119) 2020/4.5.3.6
4.5.3.6 Conclusie
Documentgegevens:
mr. drs. J.E. de Klerk, datum 01-02-2020
- Datum
01-02-2020
- Auteur
mr. drs. J.E. de Klerk
- JCDI
JCDI:ADS193816:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De icbe-regelgeving kent diverse limieten om financiële risico binnen icbe’s te beheersen. Deze limieten hebben invloed op het beleggingsbeleid van icbe’s. Desalniettemin kent geen van de limieten een duidelijke motivatie. Bovendien zijn enkele limieten sterk verouderd en zeer eenvoudig. Dit geldt bijvoorbeeld voor de overkoepelende 20%-tegenpartijlimiet en de 10%-effectenlimiet. Deze twee limieten gaan niet in op daadwerkelijke of toekomstige risico’s maar zijn statisch van aard. Ze hebben betrekking op spreidingsvereisten zonder correlatie met andere effecten in de portefeuille mee te nemen en op tegenpartijrisico zonder het risicoprofiel van een tegenpartij in ogenschouw te nemen. Sommige uitzonderingen op deze limieten zijn niet goed verklaarbaar. Zo mag 100% van de activa worden belegd in staatsobligaties uitgegeven door één lidstaat aangezien deze beleggingen over het algemeen risicovrij zijn. De recente historie heeft echter het tegendeel aangetoond.
Door de wens van de regelgever om complexe methodes en technieken toe te staan, zijn ook enkele geavanceerdere limieten opgesteld zoals de derivatenlimiet. Hierbij wordt aan marktpartijen de ruimte gegeven om zelf een berekeningsmethode te kiezen. Dit vereist goed toezicht op marktpartijen maar kan wel tot optimale beleggingsbeslissingen leiden. De additionele eisen die aan technieken voor goed portefeuillebeheer zijn gesteld, verhogen de bescherming van de deelnemer en de uniformiteit van de regelgeving.