Einde inhoudsopgave
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/13.3.5.4
13.3.5.4 Afsplitsingen
Mr. dr. G.C. van der Burgt, datum 29-11-2021
- Datum
29-11-2021
- Auteur
Mr. dr. G.C. van der Burgt
- JCDI
JCDI:ADS491841:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting (V)
Voetnoten
Voetnoten
Volgens de (civiele) wetgever is een afsplitsing van een dochtermaatschappij naar haar (volle) moedermaatschappij niet mogelijk. Dat standpunt wordt in de literatuur bestreden, al dan niet door latere aanpassingen van de civiele splitsingswetgeving. Zie onderdeel 2.8.3, onder m.
In onderdeel 13.3.5.3 is geconstateerd dat het potentiële claimverlies bij zuivere splitsingen kan (of zal) worden afgewend door het fiscale regime dat van toepassing is op de splitsingspartners. Bij afsplitsingen ligt dat anders. De aandelen van de verkrijger in de afsplitser vervallen namelijk niet. Standaardvoorwaarde 1 mist dan toepassing. Zie ook onderdeel 11.4.5.3.
Een verkrijger kan vóór een afsplitsing een deelneming hebben in de afsplitser.1 Een voorbeeld:
De verkrijgende rechtspersoon V1 heeft vóór de splitsing een deelneming in de afsplitser (AS). Stel dat de deelnemingsvrijstelling daar niet (geheel) op van toepassing is. Het vermogen van AS gaat ik het kader van de afsplitsing over naar twee verkrijgers (V1 en V2). Door V2 worden aandelen toegekend aan V1. Dat is feitelijk de compensatie voor het door V2 verkregen vermogen. V1 verkrijgt bij de afsplitsing echter geen aandelen in zichzelf (art. 2:334e, lid 2, BW). De vraag rijst of V1 het gehele vervreemdingsvoordeel buiten aanmerking kan laten door gebruik te maken van de splitsingsfaciliteit van art. 8, lid 1, Wet VPB 1969 jo. art. 3.56, lid 2, Wet IB 2001. Als het antwoord bevestigend is, dreigt ook hier (deels) een claimhandhavingsprobleem.2