Einde inhoudsopgave
De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board (VDHI nr. 168) 2020/III.2.3
III.2.3 Terminologie uitvoerend en niet-uitvoerend?
mr. N. Kreileman, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. N. Kreileman
- JCDI
JCDI:ADS242817:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Van Olffen, Ondernemingsrecht 2012/89. Vooral bij verenigingen en stichtingen komt het in de praktijk regelmatig voor dat de statuten bepalen dat het bestuur bestaat uit algemene en dagelijkse bestuurders. Zie hierover onder anderen Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/191; Asser/Rensen 2-III 2017/152 en 333; Bier, Ondernemingsrecht 2017/105; Dortmond, Ondernemingsrecht 2016/82; en Quist & Rensen, WPNR 2017/7162, p. 629.
Kamerstukken II 2015/16, 34 491, 3, p. 20 (MvT). De Minister voor Rechtsbescherming herhaalde deze opvatting in Kamerstukken II 2018/19, 34 491, 6, p. 17 (NV).
Art. 50b (oud) WvK 1929 bepaalde namelijk dat eenieder die, zij het ook onder een andere naam, bij de naamloze vennootschap een taak vervulde die bij een soortgelijke vennootschap gewoonlijk was opgedragen aan een commissaris, voor de wet als commissaris moest worden beschouwd. Met deze bepaling beoogde de wetgever destijds te voorkomen dat de ruimte die de wet liet om het commissariaat naar eigen inzicht vorm te geven en van een passende benaming te voorzien, zou kunnen worden gebruikt om bepalingen omtrent commissarissen, waaronder bepalingen die de aansprakelijkheid van commissarissen regelden, te omzeilen. Zie Belinfante 1929, p. 219; en Kamerstukken II 1926/27, Verslag van de 62e vergadering op 25 maart 1927.
Richtlijnen 1972 voor het beoordelen van oprichtingen en van statutenwijzigingen van naamloze en besloten vennootschappen, p. 41. Ik stond hier reeds in § II.2.3 bij stil.
Van der Grinten, NV 1983, afl. 61, p. 157-159.
Onder anderen Handboek 2013/273, p. 582; Huizink, GS Rechtspersonen, art. 2:140/250 BW, aant. 14; en Schmieman 2017, p. 268. Anders: Uniken Venema, NV 1984, p. 49-64 en 100-108.
Onder anderen Bier, Ondernemingsrecht 2017/105; Dortmond, Ondernemingsrecht 2016/82; De Jongh, Ondernemingsrecht 2017/102; en Quist & Rensen, WPNR 2017/7162, p. 629-630.
Dortmond, Ondernemingsrecht 2016/82.
Bier, Ondernemingsrecht 2017/105.
Ook in Engeland is de gehanteerde terminologie niet doorslaggevend. Zie Model Articles for Public Companies/Private Companies s. 1: ““director” means a director of the company, and includes any person occupying the position of director, by whatever name called.”
Idem Dumoulin, Ondernemingsrecht 2012/90; en Van Olffen 2009, p. 39, die zijn standpunt herhaalt in Van Olffen, Ondernemingsrecht 2012/89.
Kamerstukken II 2018/19, 34 491, 6, p. 17 (NV).
HR 9 januari 2015, NJ 2015, 124 m.nt. Van Schilfgaarde; JOR 2015/34 m.nt. Frielink (Hato/ACU). Hoewel het ging om een coöperatie, meen ik dat deze zaak eveneens relevant is voor kapitaalvennootschappen. De reden is dat het monistische bestuursmodel in de algemene bepalingen van Boek 2 BWC is geregeld.
Frielink, in zijn noot onder HR 9 januari 2015, JOR 2015/34 (Hato/ACU).
Sterker nog, de statuten stonden volgens Frielink aan het hanteren van het monistische bestuursmodel in de weg. Zie Frielink, in zijn noot onder HR 9 januari 2015, JOR 2015/34 (Hato/ACU). De destijds vigerende statuten zijn niet weergegeven in het arrest van de Hoge Raad en evenmin (online) raadpleegbaar. Frielink wijst erop dat de coöperatie destijds een Raad van Toezicht kende die materieel gelijk te stellen was met een raad van commissarissen. Tot 1 januari 2012 bevatte art. 2:18 jo. 2:19 lid 1 BWC een verbod om een raad van commissarissen in te stellen wanneer de vennootschap een one tier-bestuursmodel kende. Zie hierover § III.4.2. Bovendien geeft Frielink aan dat de statuten de vertegenwoordigingsbevoegdheid toekenden aan het ‘Bestuur’. Ingevolge art. 2:18 lid 3 BWC wordt het monistische bestuur echter door het ‘uitvoerend bestuur’ vertegenwoordigd.
Op grond van art. 2:129a/239a lid 1 BW kan bij de statuten worden bepaald dat de bestuurstaken worden verdeeld over één of meer niet-uitvoerende bestuurders en één of meer uitvoerende bestuurders. Van Olffen wijst erop dat in de praktijk ook andere aanduidingen voorkomen, zoals ‘algemeen bestuurder/directeur’ en ‘dagelijks bestuurder/directeur’.1 De vraag komt op of voor de toepassing van de regeling inzake de one tier board noodzakelijk is dat de statuten verwijzen naar ‘uitvoerende bestuurders’ en ‘niet-uitvoerende bestuurders’. Of mogen de statuten ook een andere terminologie hanteren?
Het is in dit kader interessant een blik te werpen op de toelichting bij het wetsvoorstel Wet bestuur en toezicht rechtspersonen. Ten aanzien van de raad van commissarissen merkte toenmalig Minister van Veiligheid en Justitie Van der Steur het volgende op:
“Overigens maakt het voor de toepassing van de wettelijke regeling strikt genomen niet uit hoe het orgaan door de rechtspersoon zelf wordt aangeduid. Wanneer in de statuten een orgaan van de rechtspersoon wordt ingesteld en daarbij aan dat orgaan de taak wordt toegekend om toezicht te houden op het beleid van het bestuur en op de algemene gang van zaken in de rechtspersoon en de daaraan verbonden onderneming of organisatie, is dat orgaan een raad van commissarissen in de zin van de wet (vgl. artikel 2:11 leden 1 en 2). Het orgaan heeft in dat geval de taken en de bevoegdheden die door de wet aan een raad van commissarissen worden toebedeeld.”2
De gedachte van de minister is niet nieuw. Reeds in 1929 volgde uit art. 50b (oud) WvK 1929 dat niet de naam, maar het ‘wezen’ beslissend is.3 Deze gedachte werd in 1972 verlaten, toen in § 31 van de Departementale Richtlijnen 1972 werd opgenomen dat eenieder die een bevoegdheid uitoefende die wettelijk aan de raad van commissarissen toekwam, in de statuten ‘commissaris’ moest worden genoemd.4 Van der Grinten kon zich niet in dit wettelijke uitgangspunt vinden. Volgens hem zou niet de benaming, maar de taak van het orgaan doorslaggevend moeten zijn.5 Verschillende auteurs vielen hem in de loop der jaren bij.6
De opmerking van Van der Steur roept in de literatuur de vraag op of een bestuur waarvoor een statutaire taakverdeling is gegeven tussen het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur kwalificeert als een one tier board.7 Dortmond beantwoordt deze vraag bevestigend.8 Bier aarzelt, maar denkt dat het enkele onderscheid in benaming uiteindelijk te dun is om er zeker van te zijn dat in een dergelijk geval geen sprake is van een one tier board.9
Gelet op de hiervoor geciteerde passage van de Minister van Veiligheid en Justitie, acht ik het gebruik van de terminologie ‘uitvoerend bestuurder’ en ‘niet-uitvoerend bestuurder’ niet doorslaggevend. De regeling is volgens mij van toepassing wanneer het bestuur de facto uit uitvoerende en niet-uitvoerende bestuurders bestaat, ongeacht de aanduiding van de bestuurders in de statuten.10 Een voorwaarde is dan natuurlijk wel dat de bestuurders rechtsgeldig zijn benoemd en een statutaire basis als bedoeld in art. 2:129a/239a lid 1 BW voorhanden is.11 In de nota naar aanleiding van het verslag bevestigde de Minister voor Rechtsbescherming mijn opvatting. Niet het etiket, maar de taken die in de praktijk worden verricht zijn doorslaggevend voor de kwalificatie.12
Wil de vennootschap het monistische bestuursmodel hanteren, dan verdient het niettemin aanbeveling in de statuten bij de terminologie van de wet aan te sluiten. In dat geval is het antwoord op de vraag of de vennootschap het monistische bestuursmodel hanteert immers niet voor discussie vatbaar.
Dat de terminologie in de statuten tot verwarring kan leiden, blijkt wel uit de Curaçaose zaak Hato/ACU.13 De statuten van de Curaçaose coöperatie ACU repten slechts van een ‘Bestuur’, een ‘dagelijks bestuur’ en een ‘algemeen directeur’. Het Gemeenschappelijke Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, St. Maarten en de BES-eilanden (hierna: het Gemeenschappelijke Hof van Justitie) nam vervolgens tot uitgangspunt dat de coöperatie het monistische bestuursmodel hanteerde. Volgens het Gemeenschappelijke Hof van Justitie bestond de ‘one tier board’ uit een niet-uitvoerend bestuur enerzijds en een algemeen directeur, belast met het dagelijks bestuur, anderzijds. De Hoge Raad ging uit van de juistheid van dit oordeel, omdat daar in cassatie niet over werd geklaagd. Met Frielink vraag ik mij echter af of het oordeel van het Gemeenschappelijke Hof van Justitie juist was.14 De algemeen directeur was immers niet als statutair bestuurder benoemd. Bovendien bleek uit de statuten niet dat de taakverdeling zodanig was vormgegeven dat het bestuur in wezen uit uitvoerende en niet-uitvoerende bestuurders bestond.15