Einde inhoudsopgave
Rechtsverwerking en klachtplichten in het verbintenissenrecht (R&P nr. CA28) 2024/4.3.3.3
4.3.3.3 De wetsgeschiedenis: geen rechtvaardiging voor categorische toepassingsbeperking bij niet-presteren
H. Boom, datum 28-06-2024
- Datum
28-06-2024
- Auteur
H. Boom
- JCDI
JCDI:ADS973644:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Concl. A-G Keus voor HR 23 maart 2007, NJ 2007/176, ECLI:NL:PHR:2007:AZ3531 (Brocacef/Simons), par. 2.17.
Concl. A-G Langemeijer voor HR 20 januari 2006, NJ 2006/80 (Robinson/Molenaar), ECLI:NL:PHR:2006:AU4122, par. 2.15. De Hoge Raad komt in zijn daaropvolgende arrest evenwel niet toe aan de cassatieklacht van Robinson over het toepassingsbereik van art. 6:89 BW. Dit omdat de Hoge Raad overweegt dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd was getreden door in het betoog van Robinson in de feitelijke instanties überhaupt een beroep op de klachtplicht te lezen. Daar voegt de Hoge Raad de sindsdien geldende regel aan toe dat rechters art. 6:89 BW niet ambtshalve mogen toepassen, zie HR 20 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU4122, NJ 2006/80 (Robinson/Molenaar), r.o. 3.4-3.5.
Concl. A-G Keus voor HR 23 maart 2007, NJ 2007/176, ECLI:NL:PHR:2007:AZ3531 (Brocacef/Simons), par. 2.17; zie destijds in die zin Asser/Hijma 5-I 2001/543; Hijma is overigens nog steeds die opvatting toegedaan, zie Asser/Hijma 7-I 2019/802.
De Hoge Raad verwijst voor zijn andere argument naar de wetsgeschiedenis. Zoals in par. 4.2.2 al werd uitgewerkt, valt op dat met betrekking tot het toepassingsbereik van de klachtplicht hoofdzakelijk over de verbintenis tot aflevering van een zaak is nagedacht en niet over andersoortige verbintenissen. Bovendien is geen onderbouwing gegeven voor de veronderstelling dat de niet-presterende schuldenaar de bescherming van de klachtplicht niet verdient. Ten eerste benadrukt de wetgever dat deze regel in het (oud) BW alleen voor verborgen gebreken bij specieskoop (art. 7A:1547 BW (oud)) gold. In de rechtspraak zou een soortgelijke toepassingsregel zijn aangenomen voor de soortkoop.
Niet alleen de wetgever keek voor de rechtvaardiging van deze toepassingsregel naar de oude verborgengebrekenregeling voor de specieskoop. Ook A-G Keus, die in de zaak Brocacef/Simons concludeert, wijst voor zijn door de Hoge Raad bevestigde oordeel dat art. 6:89 BW slechts ziet op gebrekkige prestaties op de verborgengebrekenregeling van art. 7A:1547 (oud) BW.1 Dat is ook het geval in een conclusie van A-G Langemeijer uit 2006, waar A-G Keus naar verwijst.2 A-G Keus wijst bovendien op de opmerking van Hijma dat uit de redactie van art. 7:23 lid 1 BW duidelijk blijkt dat slechts de situatie na aflevering van het gekochte is beoogd, en dat voor art. 6:89 BW niets anders zou gelden.3 Ook zij geven dus geen rechtvaardiging voor deze beperking.