Het akkoord
Einde inhoudsopgave
Het akkoord (O&R nr. 60) 2011/4.3.9:4.3.9 Overdracht boedel aan een stichting
Het akkoord (O&R nr. 60) 2011/4.3.9
4.3.9 Overdracht boedel aan een stichting
Documentgegevens:
Mr. A.D.W. Soedira, datum 25-02-2011
- Datum
25-02-2011
- Auteur
Mr. A.D.W. Soedira
- JCDI
JCDI:ADS441217:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
'Stichting tot bevordering van de belangen van Den Holder-crediteuren', hierna te noemen de stichting.
Verschoof, p. 124.
Concurrente schuldeisers ten tijde van het faillissement van Den Holder BV.
Verschoof, p. 124.
Zie voor de aanwijzingen de paragraaf hiervoor. Zie HR 23 december 1955, NJ1956, 54.
Anders Verschoof, p. 124.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Aandacht verdient dat Den Holder BV op grond van het akkoord gehouden is haar boedel over te dragen aan een stichting.1 In het akkoord van Den Holder BV wordt het hiervoor beschreven risico van vervreemding door de schuldenaar van de afgestane boedel derhalve onderkend. Door overdracht van de afgestane boedel aan de stichting is Den Holder BV niet langer rechthebbende van de afgestane boedel. Wat zijn de consequenties van de overdracht van de boedel aan de stichting en wat zijn de beweegredenen geweest om Den Holder BV te verplichten de boedel over te dragen aan de stichting?
Verschoof merkt op dat een voordeel van een liquidatie-akkoord zoals vorm gegeven in de surseance van betaling van Den Holder BV, is dat door de overdracht van de boedel aan een stichting 'nieuwe'2 schuldeisers van Den Holder BV hierop geen aanspraak kunnen maken.3Den Holder BV is immers na de overdracht geen rechthebbende meer van de overgedragen boedel. Het gevolg hiervan is dat de 'oude'4 schuldeisers meer zekerheid zullen hebben dat de opbrengst van de boedel ook daadwerkelijk aan hen ten goede zal komen, aldus Verschoof.5 De vraag die zich hier in de kern voordoet, is of de op grond van het akkoord afgestane boedel alleen bestemd is voor de schuldeisers die ingevolge art. 157 Fw aan het akkoord zijn gebonden. Verschoof meent dat met een overdracht van de boedel van de schuldenaar aan een stichting wordt voorkomen dat ook anderen dan de schuldeisers die ingevolge art. 157 Fw aan het akkoord zijn gebonden, aanspraak op de afgestane boedel kunnen maken. De opvatting van Verschoof is juist. Met een overdracht van de afgestane boedel aan een stichting wordt niet alleen de beschikkingsbevoegdheid van de schuldenaar geblokkeerd, maar wordt ook voorkomen dat andere schuldeisers zich op dat vermogen kunnen verhalen.
In de voorgaande paragrafen heb ik evenwel betoogd dat uit het stelsel van de wet het volgende mag worden afgeleid. Het vermogen dat door de schuldenaar in het kader van een liquidatie-akkoord wordt afgestaan, is aan te merken als een afgescheiden vermogen ten aanzien waarvan de schuldenaar niet langer beschikkingsbevoegd is. Hoewel in de wetsgeschiedenis aanwijzingen zijn voor het mogen aannemen van een afgescheiden vermogen en van een blokkering van de beschikkingsbevoegdheid van de schuldenaar, dient tegelijkertijd opgemerkt te worden dat het arrest van de Hoge Raad uit 1955 het voorgaande twijfelachtig maakt en dus is het onduidelijk of mijn betoog stand kan houden.6 Zo lang hierover geen duidelijkheid bestaat, is een overdracht van de afgestane boedel een van de opties die voorkomt dat ook andere schuldeisers dan degenen die krachtens art. 157 Fw gebonden zijn, zich op de afgestane boedel kunnen verhalen.7