Einde inhoudsopgave
De civielrechtelijke inbedding van het besluitenaansprakelijkheidsrecht (O&R nr. 128) 2021/8.5.2.2.0
8.5.2.2.0 Introductie
mr. P.A. Fruytier, datum 01-06-2021
- Datum
01-06-2021
- Auteur
mr. P.A. Fruytier
- JCDI
JCDI:ADS284628:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Overheid en privaatrecht
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. HR 21 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT8823, NJ 2006/418, m.nt. C.J.H. Brunner (Ludlage/Van Paradijs).
Zie bijv. ABRvS 5 februari 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AF3961 (Vado Properties/GS Limburg), ABRvS 19 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1879 en ABRvS 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:202:2706 (Twiske Zuid II). Ook de lagere rechtspraak neemt dit tot uitgangspunt: Hof Den Bosch 13 april 2004, ECLI:NL:GHSHE:2004:AO9783, Gst. 2004/123, m.nt. R.J.N. Schlössels (Sperwer Zuid/Schuitema), Rb. Maastricht 10 juni 2005, ECLI:NL:RBMAA:2005:AT8573 (Budé/Rubus), Hof Den Haag 6 juli 2006, ECLI:NL:GHSGR:2006:AY2224 (Milano/Veere) en Hof Den Bosch 24 juni 2008, ECLI:NL:GHSHE:2008:BF0347 (Dierenspeciaalzaak/De Empelse Polder).
ABRvS 24 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1374, Gst. 2017/118, m.nt. A. Snijders (Kuwait), ABRvS 20 september 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2560, AR 2017/4874 (Wok Stadion) en ABRvS 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:202:2706 (Twiske Zuid II). Zie verder bijv. ABRvS 16 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1335, JB 2014/118 (Almelo). Artikel 2.12 lid 1 Wabo bepaalt dat een omgevingsvergunning slechts wordt verleend indien de activiteit niet in strijd is met de – ook door het bestemmingsplan beoogde – goede ruimtelijke ordening. Volgens de ABRvS vormt het behouden en herstellen van een uit ruimtelijk oogpunt goed ondernemersklimaat daarvan een onderdeel en betreft dat een ruimtelijk belang.
ABRvS 20 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:106, Gst. 2016/103, m.nt. M.H. Blokvoort (Praxis).
Zie verder bijv. ABRvS 3 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1192, Gst. 2017/128, m.nt. M.H.W. Bodelier (Weesp). Zie ook ABRvS 16 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:732, AB 2016/249, m.nt. T.E.P.A. Lam (Van Neerbos/Zwolle) waarin de ABRvS overweegt dat de verplichting van art. 3.1.6 lid 1 aanhef en onder f Bro om inzicht te geven in de uitvoerbaarheid van het plan mede de belangen beschermt van onder meer grondeigenaren en grondgebruikers in en om het plangebied bij het daadwerkelijk realiseren van de bestemming. Art. 3.1.6 lid 2 Bro, dat een onderzoek vereist naar de vraag of het plan voorziet in een actuele regionale behoefte, wil volgens de ABRvS voorkomen dat binnen het plangebied leegstand ontstaat waardoor het ondernemingsklimaat wordt aangetast.
Kamerstukken II 2013/14, 33 962, nr. 3, p. 74-75 (MvT).
Zie hierover Van Zundert 2019, art. 3.1.2 Bro. Onder de WRO bestond voor brancheringsregels nog geen expliciete grondslag.
Zie art. 35.2.2 van bestemmingsplan ‘Winkeldiversiteit Centrum’. Zie uitvoerig hierover ABRvS 15 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1075, JOM 2020/232 (Winkeldiversiteit Centrum) waarin deze brancheringsregel weliswaar op verschillende detailpunten wordt vernietigd, maar de kern ervan in stand blijft.
Zie hierover Kamerstukken II 2006/07, 26 570, 23, p. 2-3.
Kamerstukken II 2004/05, 29 435, 154, p. 91.
ABRvS 13 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:75, AB 2016/173, m.nt. E. Steyger, HvJEU 30 januari 2018, ECLI:EU:C:2018:44, AB 2018/181, m.nt. A.G. Nijmeijer en ABRvS 20 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2062, AB 2018/246, m.nt. A.G.A. Nijmeijer (Appingedam).
ABRvS 5 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3926 (Heerlen) en ABRvS 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:202:2706 (Twiske Zuid II). Het HvJEU heeft in het Appingedam-arrest de houdbaarheid van brancheringsregels in het licht van de daaraan door de Dienstenrichtlijn gestelde eisen getoetst. Volgens het HvJEU zijn zulke regels toegestaan, indien zij non-discriminatoir, noodzakelijk en evenredig zijn: HvJEU 30 januari 2018, ECLI:EU:C:2018:44, AB 2018/181, m.nt. A.G. Nijmeijer (Appingedam).
ABRvS 18 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1295, JB 2016/124, m.nt. L.J.M. Timmermans (Spoorallee) en ABRvS 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:202:2706 (Twiske Zuid II).
ABRvS 24 december 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BG8294, AB 2009/213 (Amelands benzinestation II). We kennen de casus al uit §4.3.4, waarin het csqn-probleem uit deze casus ter sprake kwam: ABRvS 15 december 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AR7587, AA 2005/4, m.nt. L.J.A. Damen (Amelandse benzinepomp I).
716. Ten slotte zijn er normen waarvan zich niet duidelijk laat vaststellen of, en in hoeverre, zij de gelaedeerde willen beschermen tegen de geleden schade. Dit is bijvoorbeeld zichtbaar bij vergunningenverleningen in strijd met bestemmingsplanregels die leiden tot winstderving bij een concurrent.
717. Bestemmingsplanregels dienen het belang van de goede ruimtelijke ordening.1 Zij hebben vanwege die gerichtheid niet het oogmerk om concurrentieverhoudingen te reguleren.2 Toch laat zich daaruit niet steeds negatief vaststellen dat zij dus niet willen beschermen tegen winstderving als gevolg van met die regels strijdige toegenomen concurrentie. Bij de ruimtelijke ordening speelt namelijk in verschillende opzichten toch ook (onder meer) de bescherming van het ondernemersklimaat een rol. Volgens de ABRvS kan het behouden en herstellen van een uit ruimtelijk oogpunt goed ondernemingsklimaat ook een ruimtelijk belang zijn.3 Daaronder valt ook het verlies van klanten en handel.4 Bestemmingsplanregels zijn dus soms ook gericht op bescherming van economische belangen van ondernemers.5 In de parlementaire geschiedenis van de – op het moment van schrijven nog niet inwerking getreden – Omgevingswet (Ow) komt dat oogmerk inmiddels ook explicieter naar voren:6
“De gemeente draagt zorg voor een veilige en leefbare woon- en werkomgeving en is het eerste loket als het gaat om voorzieningen voor de burger. In het economische domein gaat het bijvoorbeeld om het stimuleren van de lokale economie of het verzorgen van kwalitatief en kwantitatief voldoende woon-, werk- en detailhandelslocaties. In het ruimtelijk domein gaat het om de ruimtelijke ontwikkeling van stad en platteland in brede zin, waarbij onder meer de afweging tussen milieu, natuur, water, economie en wonen een rol speelt.”
718. Sommige brancheringsregels (art. 3.1.2 lid 2 sub b Bro)7 zijn van deze hybride vorm een goed voorbeeld. Zulke regels willen het leefmilieu in een bepaald stadsdeel bevorderen en/of leegstand van winkelpanden voorkomen. Zij hebben in zoverre dus een ruimtelijk oogmerk. Dat doel bereiken zij in essentie op twee manieren.
719. Allereerst kan een brancheringsregel een verschraling van winkelaanbod trachten te voorkomen door een verbod in te stellen op bepaalde type winkels. Zo verbiedt Amsterdam in het centrum op toeristen gerichte winkels:8
“Het is verboden gronden en bouwwerken te gebruiken ten behoeve van een toeristenwinkel, toeristische dienstverlening, kantoor met baliefunctie gericht op toeristen, eetwinkel en een voorziening gericht op entertainment.’’
Van dit type brancheringsregel kan de beschermingsomvang volgens mij nog goed (negatief) vastgesteld worden. De regels streven door middel van een verbod een zuiver ruimtelijk doel na: diversiteit van winkelaanbod. De regel biedt daarom volgens mij geen bescherming aan derden (zoals andere toeristenwinkels) die winst derven als gevolg van de vestiging van een winkel in strijd met deze brancheringsregel.
720. Ten tweede kan een brancheringsregel trachten te voorkomen dat elders binnen de gemeente detailhandel verdwijnt. Deze verschijningsvorm verbiedt of beperkt daartoe bepaalde vormen van detailhandel in delen van het bestemmingsplangebied ten behoeve van het winkelbestand elders binnen of buiten dat gebied:9 nieuwe vestigingslocaties mogen niet ten koste gaan van oude vestigingslocaties.10 Deze regel stond bijvoorbeeld centraal in de kwestie Appingedam.11 Het bestemmingsplan stond op het perifeer gelegen gebied Woonplein alleen volumineuze detailhandel toe, zoals meubelen, keukens etc. De gemeente wilde met dat verbod voorkomen dat er leegstand in het winkelgebied in het centrum zou ontstaat waardoor de leefbaarheid in het centrum zou worden aangetast.Het gaat bij deze regels dus om een op zich ruimtelijk doel dat zich wel via een economische weg materialiseert: de detailhandel in het centrum wordt via een perifeer verbod enigszins beschermd. Zulke regels strekken volgens de ABRvS mede ertoe een ondernemer te vrijwaren van de aantasting van een goed ondernemingsklimaat.12
721. Van deze regels laat zich de beschermingsomvang in ieder geval wel deels negatief vaststellen: ze beschermen bijvoorbeeld geen concurrerende vastgoedeigenaren die wel vastgoed in de omgeving hebben, maar zich niet in het plangebied willen vestigen of eigenaar zijn van vastgoed in het plangebied dat door de brancheringsregel geraakt wordt.13 Dat is navolgbaar: de brancheringsregel is niet gericht op behoud van die ondernemers – ook al hebben zij er misschien wel voordeel van.
722. Maar hoe zit het met een concurrent uit het centrum van Appingedam? Kan die schadevergoeding vorderen als de gemeente toch in strijd met de brancheringsregel in de periferie aan een concurrent een bouwvergunning verleent? Hoe werkt de driestapstoets hier uit? Die vraag laat zich volgens mij beantwoorden aan de hand van de kwestie Amelandse benzinestation II14 en de daarop geuite kritiek.