Einde inhoudsopgave
Wijziging van beperkte rechten (O&R nr. 123) 2021/2.2.7
2.2.7 Redelijkheid en billijkheid
mr. K. Everaars, datum 01-12-2020
- Datum
01-12-2020
- Auteur
mr. K. Everaars
- JCDI
JCDI:ADS254132:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Rechtshandelingen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Vermogensrecht / Rechtsvorderingen
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Hijma 1989, p. 5.
Zie voor het recht van erfpacht bijv. Parl. Gesch. BW Boek 5 1981, 325 (VC II): “(…) waarbij tevens wordt verwezen naar een maatstaf van redelijkheid en billijkheid, die zo is geformuleerd dat men niet snel zal aannemen dat daaraan is voldaan.”
Parl. Gesch. BW Boek 6 1981, p. 969 (TM). Zie ook HR 20 februari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2587, NJ 1998/493 (Briljant Schreuders/ABP), r.o. 4.3.2 met betrekking tot art. 6:258 BW.
Aldus ook Vonck 2013, p. 228.
Aldus ook Vonck, in: GS Zakelijke rechten, art. 5:97 BW 2020, aant. 1.1: “Bovendien mag worden verwacht dat in geval van gemakkelijk voorzienbare omstandigheden, niet snel zal worden aangenomen dat ongewijzigde instandhouding van de akte naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.” Zie ook Deutscher Bundestag 14 november 2001, Drucksache 14/6040, p. 175 in het kader van §313 BGB.
HR 27 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ9323, RvdW 2007/469 (Eeuwigdurende erfpacht).
De uitspraak van de rechtbank is niet gepubliceerd, maar af te leiden uit de conclusie van A-G De Vries Lentsch-Kostense 27 april 2007, bij: HR 27 april 2007, ECLI:NL:PHR:2007:AZ9323.
Om dezelfde reden is evenmin sprake van omstandigheden waardoor toepassing van een vaste erfpachtcanon naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn (zoals bedoeld in art. 6:2 BW). Zie de conclusie van A-G De Vries Lentsch-Kostense 27 april 2007, bij: HR 27 april 2007, ECLI:NL:PHR:2007:AZ9323.
Zie de conclusie van A-G De Vries Lentsch-Kostense 27 april 2007, bij: HR 27 april 2007, ECLI:NL:PHR:2007:AZ9323.
HR 27 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ9323, RvdW 2007/469 (Eeuwigdurende erfpacht).
Hijma 1989, p. 5.
Hijma 1989, p. 5.
91. De rechter kan pas ingrijpen als de onvoorziene omstandigheden van dien aard zijn dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding niet van de moedergerechtigde of beperkt gerechtigde kan worden gevergd. Volgens Hijma is dit de norm tot ingrijpen.1 Aan dit vereiste zal niet snel zijn voldaan.2 De parlementaire geschiedenis bij de verbintenisrechtelijke imprévision-regeling wijst daar ook al op: “[R]edelijkheid en billijkheid verlangen immers in de eerste plaats trouw aan het gegeven woord en laten afwijking daarvan slechts bij hoge uitzondering toe.”3 In goederenrechtelijke verhoudingen moet nog meer waarde worden toegekend aan trouw aan het gegeven woord, juist omdat het goederenrecht in overwegende mate derdenrecht is.4 Voor derden moet duidelijk zijn wat de rechtstoestand met betrekking tot een bepaald goed is. Bij toepassing van de redelijkheid en billijkheid kan de vraag of de omstandigheden voorzienbaar zijn, en dus hadden kunnen worden voorzien, wel een rol spelen. Bij een voorzienbare gebeurtenis kan eerder worden aangenomen dat ongewijzigde instandhouding niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.5
92. In de praktijk is regelmatig een beroep gedaan op een imprévision-bepaling met als doel de canonverplichting te verhogen. Illustratief is een arrest van de Hoge Raad.6 In 1741 is een “altoos en onaflosbaar” recht van erfpacht gevestigd tegen een canon van f 200,- voor een stuk grond van ruim 71 are (vergelijkbaar met een voetbalveld). Eisers stellen dat de canon niet meer marktconform is en dat men in 1741 niet in staat was toekomstige ontwikkelingen bij de vestiging van de erfpacht in de prijs te verdisconteren. De rechtbank oordeelt dat “de geldontwaarding na 1 januari 1992 – indien al onvoorzien – niet van zodanige omvang is dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de akte van vestiging niet van de eigenaar kan worden gevergd.”7 Ten overvloede wordt daarnaast overwogen dat “ook indien de geldontwaarding vóór 1 januari 1992 in aanmerking wordt genomen en de canonverplichting inmiddels door inflatie tot een symbolische vergoeding is gereduceerd, geen sprake is van (onvoorziene) omstandigheden die van dien aard zijn dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de akte van vestiging van het recht van erfpacht niet van de eigenaar kan worden gevergd.”8 Tot slot wordt ook nog overwogen dat aan het oordeel niet afdoet dat “de erfpachter thans een recht heeft dat het recht van eigendom dicht nadert nu de canon van het onderhavige eeuwigdurende erfpachtrecht op een vast laag bedrag is gesteld en het recht op vervreemding vrij is.”9 Het hof is het met dit oordeel eens en de Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep, onder toepassing van art. 81 Wet RO.10
93. Als de rechter meent dat ongewijzigde instandhouding van het beperkte recht naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de wederpartij kan worden gevergd, kan de rechter het beperkte recht wijzigen (of opheffen). De rechter dient “(…) te zoeken [naar die uitkomst] die partijen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid – in plaats van het oorspronkelijk overeengekomene – (nog) wèl van elkaar mogen verwachten.”11 Hijma formuleert dit als de norm bij ingrijpen.12