Fiscaal overgangsbeleid
Einde inhoudsopgave
Fiscaal overgangsbeleid (FM nr. 131) 2009/10.3.2.3:10.3.2.3 Non-discriminatiebeginsel
Fiscaal overgangsbeleid (FM nr. 131) 2009/10.3.2.3
10.3.2.3 Non-discriminatiebeginsel
Documentgegevens:
dr. M. Schuver-Bravenboer, datum 01-02-2009
- Datum
01-02-2009
- Auteur
dr. M. Schuver-Bravenboer
- JCDI
JCDI:ADS415002:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Staatsrecht / Wetgeving
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het tweede onderdeel van het beginsel van overeenstemming met hogere regelgeving is het non-discriminatiebeginsel. Ook de naleving van dit beginsel is juridisch afdwingbaar. In par. 6.3 heb ik de rol die het non-discriminatiebeginsel speelt bij de vorming van overgangsrecht uitgewerkt.
Met betrekking tot de keuze voor een bepaalde werkingsregel is deze rol beperkt. Als bij een wetswijziging slechts in een werkingsregel wordt voorzien en dus geen aanvullende overgangsmaatregel wordt getroffen, kan schending van het non-discriminatiebeginsel alleen aan de orde zijn als de desbetreffende regel behoort tot de winstsfeer. In par. 6.3.4.2 concludeerde ik immers dat het veranderen van een regel met terugwerkende kracht, onmiddellijke werking of uitgestelde werking niet leidt tot verboden discriminatie. Alleen als de te veranderen regel behoort tot de winstsfeer en de wetgever bij de voorgaande aanpassing van de regel wel in een overgangsmaatregel heeft voorzien, kan een schending van het non-discriminatiebeginsel aan de orde zijn. Als de wetswijziging ook betrekking heeft op belastingplichtigen met een gebroken boekjaar, kunnen belastingplichtigen met een kalenderboekjaar en belastingplichtigen met een gebroken boekjaar namelijk ongelijk worden behandeld (par. 6.3.3.4). Een ongelijke behandeling is dan bijvoorbeeld aan de orde in geval de voorgaande wetswijziging voor het eerst van toepassing werd op boekjaren die na een bepaalde datum aanvingen (eerbiedigende werking) en de eerstvolgende wetswijziging met onmiddellijke werking van toepassing wordt.
Als gelijke gevallen ongelijk of ongelijke gevallen onevenredig ongelijk worden behandeld, moet daarvoor een objectieve rechtvaardiging zijn. Een objectieve rechtvaardiging is aanwezig indien aan het overgangsregime een legitieme doelstelling ten grondslag ligt en een redelijke mate van proportionaliteit tussen het middel en het beoogde doel aanwezig is. Bij de beoordeling of sprake is van een objectieve rechtvaardiging heeft de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid.
In de jurisprudentie zijn doelmatigheid, eenvoud, uitvoerbaarheid en controleerbaarheid als legitieme doelstellingen geaccepteerd. Zuiver budgettaire redenen leveren in ieder geval geen rechtvaardigingsgrond op voor discriminatie. In algemene zin concludeer ik dat als de wetgever een rechtvaardigingsgrond aanvoert die deel uitmaakt van een samenhangend geheel van beginselen die leiden tot een behoorlijk overgangsbeleid, die keuze valt binnen de beoordelingsvrijheid van de wetgever. Aan het proportionaliteitsbeginsel in enge zin wordt niet voldaan indien het overgangsregime niet in verhouding staat tot de aan dat regime ten grondslag liggende doelstelling. Niet van doorslaggevend belang is of een minder belastend overgangsregime mogelijk was geweest waarmee dezelfde legitieme doelstelling wordt gehaald. Ik concludeer dat als de wetgever bij het vaststellen van een overgangsregime opereert binnen de beginselen van behoorlijk overgangsbeleid geen sprake zou mogen zijn van verboden discriminatie.
Schematisch weergegeven verloopt de toetsing van een werkingsregel aan het non-discriminatiebeginsel als volgt: