Einde inhoudsopgave
De ex-werknemer (MSR nr. 83) 2023/2.2.3
2.2.3 De accessoire postcontractuele verbintenis als bijzonder uitlegprobleem
Vincent Gerlach, datum 10-11-2022
- Datum
10-11-2022
- Auteur
Vincent Gerlach
- JCDI
JCDI:ADS687123:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 24 februari 2004, JAR 2004/83 (DSM/Fox); C.J. Loonstra, ‘Uitlegvragen in het arbeidsrecht’, in: J.H. Even e.a. (red.), Arbeidsrechtelijke bedingen, Themabundel Tijdschrift Arbeidsrechtpraktijk 2012, Den Haag: Sdu Uitgevers 2012, p. 19-22.
C.H. Sieburgh en A.S. Hartkamp, Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-I 2012, nr. 43.
Kamerstukken II 1975/76, 7729, nr. 6-7, p. 243. Aldus ook de conclusie van A-G Wissink bij HR 16 september 2011, NJ 2012/56, m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai (Stichting Uitvoering Bodemsanering Amovering Tankstations/Garage Kost); C.H. Sieburgh en A.S. Hartkamp, Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-I 2012, nr. 414; G.T. de Jong, Niet-nakoming van verbintenissen, Monografieën BW, Deventer: Kluwer 2006, p. 67; G.T. de Jong, ‘Niet-nakoming’, in: C.J.H. Brunner e.a. (red.), Verbintenissenrecht algemeen, Deventer: Kluwer 2011, p. 205.
J.M. van Slooten, ‘Is de rechtsverhouding met de gepensioneerde werknemer bevroren? Een verkenning’, in: W. Plessen, H. van Drongelen en F. Hendrikx (red.), Sociaal recht: tussen behoud en vernieuwing. Liber amicorum voor prof. dr. Antoine Jacobs, Zutphen: Uitgeverij Paris 2011, p. 438-439; J.M. van Slooten, ‘“Uitgewerkte rechtsverhouding” als arbeids- en/of pensioenrechtelijk leerstuk’, TPV 2012/16; J.M. van Slooten, ‘De “uitgewerkte rechtsverhouding”: geen argument, maar soms een conclusie’, ArbeidsRecht 2013/6. De auteur spreekt over samenhangende verbintenissen met een hulpkarakter, en noemt als voorbeelden een eenzijdig wijzigingsbeding of afspraken over inhouding van belasting of betalingstijdstippen.
Voor voorbeelden uit de lagere rechtspraak zie Rb. Rotterdam 8 februari 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:1171 (ex-werkgever/ex-werknemer) en Rb. Midden-Nederland 26 februari 2020, ECLI:NL:RBMNE:2020:579 (ex-werkgever/ex-werknemer), waar het boetebeding niet (meer) van toepassing werd geacht omdat de vaststellingsovereenkomst enkel naar het relatie-/concurrentiebeding verwees.
Over het concurrentiebeding: F.B.J. Grapperhaus, Werknemersconcurrentie, beperkingen aan concurrerende activiteiten van de ex-werknemer ten opzichte van zijn voormalig werkgever, Deventer: Kluwer 1995, p. 215-218; F.B.J. Grapperhaus, ‘Het concurrentiebeding in de arbeidsovereenkomst – waartoe, waarheen, waarvoor?’, ArA 2003/2, p. 11-15. Meer in het algemeen: A.F. Bungener en E. Koot-van der Putte, ‘Incorporeren van een CAO door een ongebonden werkgever’, SR 2006/44.
Onder meer: C.J. Loonstra, ‘Uitlegvragen in het arbeidsrecht’, in: J.H. Even e.a. (red.), Arbeidsrechtelijke bedingen, Themabundel Tijdschrift Arbeidsrechtpraktijk 2012, Den Haag: Sdu Uitgevers 2012, p. 7-11; S.F. Sagel, ‘DSM/Fox en de uitleg van arbeidsrechtelijke contracten – het laatste woord?’, ArA 2004/3, p. 85-89; A.G. Castermans, ‘Uitleg van de arbeidsovereenkomst volgens Europese regels’, TRA 2008/2; C.E. Dingemans en O. van der Kind, ‘Ongelijkheidscompensatie en onduidelijke bedingen’, ArbeidsRecht 2001/4.
HR 18 november 1983, NJ 1984/272, m.nt. W.C.L. van der Grinten (Kluft c.s./B. en W. Supermarkten); HR 2 april 1993, JAR 1993/100 (Bongers/Kopieer Service Benelux); HR 4 april 2003, JAR 2003/107, m.nt. M.S.A. Vegter, NJ 2007/351, m.nt. G.J.J. Heerma van Voss (Ghisyawan/LAN-Alyst); HR 11 april 2003, JAR 2003/108 (Baron-van den Maagdenberg c.s./Terra Nigra Holding); HR 25 januari 2008, JAR 2008/55 (Bornkamp Zorgvervoer/Biemans).
HR 6 september 2013, JAR 2013/249, m.nt. M. Heemskerk, JOR 2013/310, m.nt. A.G. van Marwijk Kooy, PJ 2013/161, m.nt. E. Lutjens en H.P. Breuker, TRA 2013/103, m.nt. J.J.M. de Laat, NJ 2014/67, m.nt. E. Lutjens (Energieonderzoek Centrum Nederland/Vereniging van Oud-Medewerkers ECN & NRG). Doordat het hier een pensioenreglement betrof werd de cao-norm toegepast, waarover meer in de hiervoor genoemde annotatie van De Laat.
Zie Heemskerks annotatie bij het ECN-arrest (JAR 2013/249); M. Heemskerk e.a., ‘Wijzigingsvraagstukken in de pensioendriehoek’, TPV 2012/42; M. Heemskerk e.a., ‘Pensioen wijzigen jegens slapers en pensioengerechtigden’, TPV 2013/7; P.B. van den Bos, ‘ECN/Omen: heroverweging van het eenzijdig wijzigingsbeding vereist?’, ArbeidsRecht 2014/22; J.P. van Rigteren, ‘Wijziging via Cao-partijen’, in: Vereniging van Pensioenjuristen, Wijziging van de pensioenregeling, Vorden: Vereniging van Pensioenjuristen 2014, p. 92; S. van der Vegt, ‘Eenzijdig wijzigingsbeding in de rechtsverhouding met werknemers’, in: Vereniging van Pensioenjuristen, Wijziging van de pensioenregeling, Vorden: Vereniging van Pensioenjuristen 2014, p. 178; B. Cobanoglu, M. Heemskerk en C.M.C.P. van Herpen-Thuring, ‘Eenzijdig wijzigingsbeding in de rechtsverhouding met slapers en pensioengerechtigden’, in: Vereniging van Pensioenjuristen, Wijziging van de pensioenregeling, Vorden: Vereniging van Pensioenjuristen 2014, p. 193; E.K.W. van Kampen, M.F. Lameris en E.C.M. Rijcken, ‘Wijziging van pensioenregelingen’, in: E.K. Beckers e.a. (red.), Pensioenrecht in beweging, Vereniging voor Pensioenrecht, Den Haag: Sdu 2015, p. 120-121.
Zo ook E. Lutjens, ‘Wijziging van pensioenregeling voor ex-werknemer en schrappen art. 20 Pw’, TPV 2013/40: ‘(…) in zijn algemeenheid zou ik niet weten waarom het onaannemelijk moet worden geacht een pensioenregeling te mogen wijzigen jegens ex-werknemers als dat niet contractueel is uitgesloten’.
Zoals bekend, zijn er op grond van DSM/Fox ten minste drie manieren om in het arbeidsrechten daarbuiten uitlegkwesties te beslechten: ten eerste de Haviltex-norm met uitleg aan de hand van subjectieve interpretatiefactoren, ten tweede de Haviltex-norm met uitleg aan de hand van subjectieve interpretatie maar met inachtneming van objectieve maatstaven, en ten derde de cao-norm waarbij bewoordingen in beginsel doorslaggevend zijn en uitleg naar objectieve maatstaven plaatsvindt.1 Uitleg naar objectieve maatstaven ligt volgens de Hoge Raad meer voor de hand indien de overeenkomst de rechtspositie van derden dient te beïnvloeden, terwijl die derden de bedoeling van partijen bij de overeenkomst niet konden kennen.
De uitlegvraag aan de hand van bovengenoemde methoden of een verbintenis postcontractueel is, is in de praktijk vaak lastig, met name ten aanzien van de zogeheten ‘accessoire verbintenis’. Daarmee doel ik op die verbintenis waarvan het bestaan ervan een primaire verbintenis veronderstelt. Dergelijke verbintenissen worden gekenmerkt door hun onzelfstandigheid, aangezien zij van een andere verbintenis afhankelijk zijn.2 Een goed voorbeeld daarvan is het boetebeding, dat dient als prikkel tot nakoming van de primaire verbintenis en/of schadefixatie bij het tekortschieten in de nakoming daarvan.3 Zo zal een geheimhoudingsbeding vaak stellen dat dit beding van kracht blijft na het einde van de arbeidsovereenkomst, maar stelt het boetebeding niet meer dan dat ‘overtreding van’ de geheimhoudingsverplichting zal leiden tot het verbeuren van een boete. Het lijkt dan een logische uitleg dat het boetebeding van kracht blijft na het einde van de arbeidsovereenkomst, omdat de primaire verbintenis – de geheimhoudingsplicht – immers blijft bestaan. Ook het eenzijdige wijzigingsbeding of een terugvorderingsbeding kwalificeert als accessoire verbintenis. Zij veronderstellen immers de aanwezigheid van een onderliggende, primaire verbintenis: een arbeidsvoorwaarde.
Van Slooten4 onderscheidt ten aanzien van een accessoire verbintenis twee mogelijke zienswijzen: een gefixeerde en een dynamische leer. Hij maakt dit onderscheid weliswaar in het kader van pensioen, maar ik zie niet in waarom dat voor andere arbeidsvoorwaarden anders zou liggen. De gefixeerde leer houdt naar zijn mening in dat, vertaald naar het door mij hierboven gehanteerde begrippenkader, alleen de primaire en niet de accessoire verbintenis bij het einde van de arbeidsovereenkomst doorloopt, tenzij de accessoire verbintenis expliciet stelt dat deze van kracht blijft. Bij de dynamische leer blijven de accessoire verbintenissen ook van kracht als zij dat niet expliciet bepalen. Ter illustratie: indien sprake is van een doorlopend geheimhoudingsbeding met een daarbij horend boetebeding dat niet expliciet vermeldt dat het van kracht blijft na het einde van de arbeidsovereenkomst, blijft het boetebeding in de gefixeerde leer niet van kracht en in de dynamische wel.5 Op die manier gesteld, lijkt sprake van een fundamentele keuze over het al dan niet toepassen van het contraproferentem-leerstuk ten aanzien van accessoire verbintenissen. Daarmee doel ik op de regel dat, in plaats van toepassing van de Haviltex-maatstaf, bij onduidelijkheid van een beding de uitleg in het voordeel van de (ex-)werknemer dient uit te vallen, onder meer omdat deze zich niet in een gelijkwaardige onderhandelingspositie bevond ten opzichte van de (ex-)werkgever.
Zoals bij zoveel leerstukken, zijn er rekkelijken en preciezen ten aanzien van de vraag of in het arbeidsrechtde contraproferentem-regel ook toepassing verdient, waarbij de discussie zich met name heeft toegespitst op het concurrentiebeding. De preciezen bepleitten een meer grammaticale uitleg, met name als sprake is van een beding dat de werkgever in zijn voordeel bedingt.6 Als een beding niet duidelijk is, moet de werkgever daarvan maar de gevolgen ondervinden. De rekkelijken menen dat de contraproferentem-regel niet van toepassing is en hooguit als gezichtspunt kan dienen.7 De hoofdregel dient volgens hen gewone toepassing van de Haviltex-norm te zijn. De rekkelijken wijzen er daarbij ook op dat de Hoge Raad nooit heeft gesteld dat de contraproferentem-regel in het arbeidsrechtvan toepassing is, dat daarentegen Haviltex het uitgangspunt is, en dat toepassing van de contraproferentem-regel wat cao’s betreft zelfs uitdrukkelijk is verworpen.8 Naar mijn mening bevestigde de Hoge Raad in het ECN-arrest opnieuw dat de rekkelijken het bij het juiste eind hebben.9 Daar stond in het pensioenreglement dat de inhoud daarvan kon worden gewijzigd ‘door de werkgever (…) na overleg met de betrokken werknemers’. Volgens de Hoge Raad mocht dit zo worden gelezen dat ook zag op de – uit de arbeidsovereenkomst voortvloeiende – rechtsverhouding tussen de ex-werkgever en ex-werknemer. Meerdere auteurs10 hebben desondanks een uitleg contraproferentem bepleit en/of meenden dat veiligheidshalve beter expliciet in bedingen kan worden opgeschreven dat zij ook van toepassing zijn op de postcontractuele fase. Eenieder zal voorstander zijn van glasheldere bedingen, maar de praktijk is anders. Ik vraag me af of het tot in deze mate van detail nodig is. Wie meent dat de preciezen gelijk hebben zal tot een andere conclusie komen, maar de Hoge Raad heeft hen daarin vooralsnog geen gelijk gegeven.
Ook op de accessoire verbintenis dient daarom de Haviltex- of (als het bijvoorbeeld een pensioenreglement betreft) cao-norm te worden losgelaten om te beoordelen of deze blijft bestaan na het einde van de arbeidsovereenkomst. Het lijkt mij op basis van die normen uitgangspunt dat zolang een beding als primaire verbintenis blijft bestaan, de accessoire verbintenis dat ook doet. Waarom zou de bedoeling van partijen zijn dat de accessoire verbintenis eindigt bij het einde van de arbeidsovereenkomst, als de primaire verbintenis doorloopt? Waarom zou bijvoorbeeld het boetebeding wel eindigen maar het geheimhoudingsbeding niet, of het wijzigingsbeding wel maar de arbeidsvoorwaarde niet? Mag de werknemer verwachten dat daar op dat moment een einde aan zou komen? Is dat een onaannemelijk rechtsgevolg?11 Daar lijken mij, uiteraard behoudens bijzondere omstandigheden, weinig zinnige redenen voor te bedenken.