Onwaardigheid
Einde inhoudsopgave
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/2.3.0:2.3.0 Introductie
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/2.3.0
2.3.0 Introductie
Documentgegevens:
mr. M. de Vries, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. M. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS859082:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Parl. Gesch. Inv. Boek 4 2003, p. 1168.
Vgl. ook Van Mourik, in: Handboek Erfrecht 2020 p. 29.
Parl. Gesch. Inv. Boek 4 2003, p. 1812 (nr. 2).
Zesde NvW, 17 141, nr. 26, p. 8.
Zesde NvW, 17 141, nr. 26, p. 8-9.
Zesde NvW, 17 141, nr. 26, p. 9.
Zie hierover ook par. 2.7.4.
Parl. Gesch. Inv. Boek 4 2003, p. 1169.
Parl. Gesch. Inv. Boek 4 2003, p. 1175.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het oude recht kent geen bepaling die overeenkomt met artikel 4:3 lid 1 sub b BW. In het Ontwerp-Meijers uit 1954 komt deze onwaardigheidsgrond evenmin voor. Pas bij de zesde nota van wijziging in 1997 wordt de volgende zinsnede opgenomen:
‘hij die veroordeeld is wegens een opzettelijk tegen de erflater gepleegd misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een vrijheidsstraf is gesteld met een maximum van ten minste vier jaren, dan wel wegens poging tot, voorbereiding van, of deelneming aan een dergelijk misdrijf’1
De invoering van deze onwaardigheidsgrond houdt verband met een discussie die speelt op het gebied van de legitieme portie.2 Minister Sorgdrager heeft de mogelijkheid onderzocht of buiten de gronden van onwaardigheid, ontneming van de legitieme portie zou kunnen plaatsvinden op voldoende scherp omschreven, zwaarwichtige gronden.3 Een dergelijke regeling achtte de minister in de praktijk niet werkbaar vanwege de grote diversiteit aan omstandigheden die zich kunnen voordoen.4 De minister heeft vervolgens gekeken naar de optie van een algemeen geformuleerde, open, grond voor ontneming van de legitieme portie. Dit plan haalde evenmin de eindstreep. De vrees bestond dat het mogelijk maken van een ontneming op een algemene grond – zodanige omstandigheden dat van de erflater in redelijkheid niet kan worden gevergd dat hij aan de legitimaris een deel van zijn vermogen nalaat – voor de praktijk problemen zal opleveren. Al met al voorzag de wetgever met een ontnemingsbepaling een aanzienlijke belasting voor de rechtspraktijk die ten koste kan gaan van een vlotte afwikkeling van nalatenschappen.5 Wel is nog een voorziening getroffen in de vorm van de invoering van artikel 4:3 lid 1 sub b BW.6 Deze uitbreiding van de onwaardigheidsgronden kan dus gezien worden als de tegenhanger voor het niet invoeren van een ontnemingsbepaling voor de legitieme portie.7
Artikel 4:3 lid 1 sub b BW moet het gat dichten tussen onwaardigheid wegens het ombrengen van de erflater en onwaardigheid wegens het lasterlijk beschuldigen van de erflater. Tussen deze beide categorieën van gedragingen kan volgens de parlementaire geschiedenis ook op een andere wijze sprake zijn van ernstige misdragingen jegens de erflater. Het ligt volgens de minister voor de hand dat een persoon ook bij misdrijven als hier bedoeld geen aanspraak mag maken op de nalatenschap.8
Gedurende de verdere parlementaire behandeling is deze onwaardigheidsgrond nader geëxpliciteerd. Net als in artikel 4:3 lid 1 sub a BW is toegevoegd dat een onherroepelijke veroordeling is vereist. Tevens is verduidelijkt dat het moet gaan om een misdrijf dat naar Nederlands recht een strafbedreiging heeft met een maximum van ten minste vier jaren vrijheidsstraf.9 De definitieve versie van artikel 4:3 lid 1 sub b BW luidt als volgt:
‘hij die onherroepelijk veroordeeld is wegens een opzettelijk tegen de erflater gepleegd misdrijf waarop naar de Nederlandse wettelijke omschrijving een vrijheidsstraf is gesteld met een maximum van ten minste vier jaren, dan wel wegens poging tot, voorbereiding van, of deelneming aan een dergelijk misdrijf’
In deze paragraaf komen de verschillende onderdelen van deze onwaardigheidsgrond aan de orde, te beginnen met de strafbare feiten die eronder vallen (par. 2.3.1). Daarna wordt aandacht besteed aan de term ‘tegen de erflater’ (par. 2.3.2). Vervolgens wordt ingegaan op de poging, voorbereiding en deelneming (par. 2.3.3). Hierna wordt stilgestaan bij de eis van een onherroepelijke veroordeling (par. 2.3.4) en komt aan de orde dat de eerste onwaardigheidsgrond opgaat in artikel 4:3 lid 1 sub b BW (par. 2.3.5). Tot slot komt kort artikel 7:184 BW, de pendant uit het schenkingsrecht, aan bod (par. 2.3.6).