Einde inhoudsopgave
Pleitbaar standpunt in het fiscale boete- en strafrecht (FM nr. 148) 2016/5.5.4
5.5.4 Rechtvaardiging voor de opkomst en invloed van het pleitbare standpunt in het fiscale boete- en strafrecht
dr. mr. M.M. Kors, datum 21-11-2016
- Datum
21-11-2016
- Auteur
dr. mr. M.M. Kors
- JCDI
JCDI:ADS571170:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Vergelijk M.W.C. Feteris in zijn noot onder BNB 2004/75 onder 17: “Dit komt erop neer dat de belanghebbende wel de intentie had om binnen de grenzen van de wet te blijven, maar niet goed wist waar die grenzen lagen.”, J.W. Ilsink, ‘Enkele gedachten over het fiscale pleitbare standpunt in strafzaken’, in: L.J.A. Pieterse (red.), Draaicirkels van formeel belastingrecht, Amersfoort: Sdu 2009, p. 213: “De belastingplichtige is immers op grond van zijn inziens valide argumenten van mening dat hij binnen het kader van de belastingregels niet meer belasting is verschuldigd dan hij aangeeft.”
Scheltens, p. 522: “de aangever heeft dan inderdaad wel de onjuiste aangifte gewild, maar niet heeft hij een onjuiste aangifte gewild: hij was – zij het ten onrechte – van mening, dat de aangifte juist was”, A-G Van Soest, conclusie voorafgaand aan HR 11 juli 1984, BNB 1984/268, onder punt h: “Wie aangifte doet, twijfelt…niet over het verbod een onjuiste aangifte te doen; hij beoogt ook niet met dat verbod in strijd te komen. Hij houdt, voor zover hij van een andere opvatting aangaande het belastingrecht uitgaat dan de inspecteur, alleen aan zijn eigen opvatting vast.” Zie ook A-G Van den Berge, conclusie van 6 juni 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA8852, r.o. 4.2: “Wie een bate niet aangeeft, omdat hij meent dat daarover geen belasting is verschuldigd, doet dat ‘met opzet’ maar zijn opzet is niet gericht op benadeling van de fiscus, maar juist op de betaling van het juiste bedrag aan belasting.”
Hoewel de belastingkamer van de Hoge Raad zich er, zoals hiervoor gezegd, niet over heeft uitgelaten, ga ik ervan uit dat de rechtvaardiging voor de opkomst van het pleitbaar standpunt begrip en voor de invloed van dat begrip, de straffeloosheid, in de zojuist besproken principes moet worden gevonden.
Buiten het belastingrecht lijken deze principes niet relevant. De positie waarin de belastingplichtige ongevraagd is gebracht en de vrijheid van een belastingplichtige om de eigen interpretatie en toepassing van het recht aan de belastingrechter voor te leggen, staan in het algemene en economische strafrecht en in de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep bestraffing of beboeting niet in de weg. De vrijheid om de fiscaal gunstigste weg te kiezen geldt uitsluitend in het belastingrecht.
Zo bezien is het begrijpelijk dat het pleitbare standpunt in het fiscale boeterecht wel een rol vervult, maar in het algemene en economische strafrecht niet. De onderliggende principes zouden naar mijn mening echter wél van belang moeten zijn zodra niet de belastingrechter maar de strafrechter zich over de strafwaardigheid van een onjuiste maar pleitbare aangifte buigt. Ook in het fiscale strafrecht zouden deze principes daarom tot gevolg moeten hebben dat op een eigen – van het algemene strafrecht afwijkende – wijze over de strafwaardigheid van een onjuiste, maar pleitbare aangifte wordt gedacht.
Geen van deze principes hoeft naar mijn mening echter mee te brengen dat het pleitbare standpunt onder alle omstandigheden tot straffeloosheid leidt. Van een belastingplichtige die een aangifteplicht opgelegd heeft gekregen, met voor meerderlei uitleg vatbaar recht is geconfronteerd en toch stellig en zonder voorbehoud aangifte heeft moeten doen en daardoor verplicht is geweest een standpunt in te nemen, kan nog steeds worden verwacht dat hij de aanmerkelijke kans op een onjuiste aangifte niet heeft aanvaard, oftewel dat hij ervan uit is gegaan dat hij een juiste aangifte heeft gedaan. Hetzelfde geldt voor een belastingplichtige die van zijn vrijheid gebruik heeft gemaakt om de eigen interpretatie en toepassing van het recht aan de belastingrechter voor te leggen.
De vrijheid van een belastingplichtige om zijn eigen interpretatie en toepassing van het belastingrecht te volgen lijkt de meest vergaande invloed op de strafwaardigheid te hebben. Een belastingplichtige die van deze vrijheid gebruik heeft gemaakt, kan niet worden verweten dat hij de grenzen van de wet heeft opgezocht. Van deze belastingplichtige kan echter wel worden verwacht dat hij binnen de ruimte heeft willen blijven die deze vrijheid hem verschaft. Ik vertaal dit zo, dat hij niet hoeft te hebben verondersteld dat zijn standpunt juist was, maar in ieder geval wel moet hebben verondersteld dat zijn standpunt pleitbaar was.
De drie onderliggende principes hoeven naar mijn mening daarom niet tot een vrijbrief te leiden voor een belastingplichtige die gewoonweg een onjuiste aangifte heeft willen doen, zonder op het moment van het doen van de aangifte aan een pleitbaar standpunt te denken of zonder te geloven dat zijn standpunt pleitbaar is.1 Hier wordt in paragraaf 5.7.1 op teruggekomen.
Scheltens en A-G Van Soest die, zoals in paragraaf 5.3.4 is besproken, als eersten hebben verdedigd dat opzet en grove schuld bij een pleitbaar standpunt afwezig zijn, hebben naar mijn mening ook niet gesteld dat een pleitbaar standpunt onder alle omstandigheden tot straffeloosheid hoort te leiden. Beiden lijken uitsluitend van het ontbreken van opzet en grove schuld en daarmee van straffeloosheid te zijn uitgegaan in situaties waarin een belastingplichtige zich er ten tijde van het doen van de aangifte weliswaar bewust van was dat zijn aangifte mogelijk onjuist was, maar toch meende dat hij gelijk had.2