Einde inhoudsopgave
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/2.3.1
2.3.1 Beding van pandgebruik: pactum antichreticum
mr. R. Bobbink, datum 01-02-2021
- Datum
01-02-2021
- Auteur
mr. R. Bobbink
- JCDI
JCDI:ADS264487:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Dernburg 1864, p. 67; Manigk 1910, p. 51; Kupiszewski 1974, p. 232; Kaser, Studien III, p. 81.
Manigk 1910, p. 51; Frezza 1963, p. 199; Kupiszewski 1974, p. 232.
C. 4,32,17 (Philippus). Si ea lege possessionem mater tua apud creditorem tuum obligavit, ut fructus in vicem usurarum consequeretur, obtentu maioris percepti emolumenti propter incertum fructuum eventum rescindi placita non possunt.
Vgl. Accursius, Glossa Ordinaria, Digestum Vetus, p. 960-961.
D. 2,14,52,1 (Ulpianus); D. 13,7,33 (Marcianus); D. 13,7,39 (Modestinus); D. 20,1,1,3 (Papinianus).
Ebrard 1917, p. 116-117.
Vgl. Kohler 1882, p. 47-48.
Zie hierover §2.5 over de functies van de antichresis.
De pandhouder kon het recht van pandgebruik verkrijgen op grond van een nevenbeding in de pandovereenkomst.1 Dit nevenbeding is in de secundaire literatuur bekend geworden onder de naam pactum antichreticum.2 Ik duid het pactum antichreticum ook aan onder de term ‘beding van pandgebruik’. Een tekst waarin een pactum antichreticum voorkwam, was C. 4,32,17 (Philippus):
“Indien uw moeder haar bezittingen jegens haar schuldeiser als pand heeft verbonden met het beding dat hij in plaats van rente de vruchten zou verkrijgen, kunnen deze afspraken niet ongedaan gemaakt worden met het oog op de verkrijging van een al te groot voordeel, wegens de onzekere uitkomst waar het de vruchten betreft.”3
In deze tekst kwam een rentepandgebruik tot stand. De pandovereenkomst bevatte een beding (lex) op grond waarvan de pandhouder bevoegd was de vruchten van het onderpand te trekken, in plaats van de rente over de gesecureerde vordering.4 Naast bovenstaande Digestentekst zijn er nog vier andere die vermelden dat een beding van pandgebruik uitdrukkelijk was toegevoegd aan de pandovereenkomst.5 In de teksten komt steeds (een verbuiging van) het woord pactum voor, met uitzondering van D. 13,7,33 (Marcianus). Daar blijkt de uitdrukkelijke afspraak uit de term ἀντίχρησιν.6 Het beding van pandgebruik kende de pandhouder de bevoegdheid toe om het onderpand te gebruiken en de vruchten ervan te trekken. Dit gebruiksrecht gaf de pandgebruiker zekerheid op de periodieke waarde die hij door het gebruik en vruchttrekking kon verkrijgen.7 Of deze inkomsten functioneerden als aflossing op de gesecureerde vordering of als rentevergoeding, hing af van wat partijen hadden afgesproken.8