De grondwetsherzieningsprocedure
Einde inhoudsopgave
De grondwetsherzieningsprocedure (SteR nr. 52) 2021/I.3.3.2:I.3.3.2 Initiatiefwetsvoorstellen
De grondwetsherzieningsprocedure (SteR nr. 52) 2021/I.3.3.2
I.3.3.2 Initiatiefwetsvoorstellen
Documentgegevens:
T. van Gennip, datum 01-08-2021
- Datum
01-08-2021
- Auteur
T. van Gennip
- JCDI
JCDI:ADS284974:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie hoofdstuk 2, par. 5.
Zie ook: Broeksteeg, TvCR 2014/1, p. 45-47; Breunese, RegelMaat 2009/2, p. 108-109.
Het betreft voorstellen van de PVV. Kamerstukken II 32866; Kamerstukken II 32867. Bij deze voorstellen heeft de Afdeling advisering Raad van State zelfs nog geen advies uitgebracht.
De andere initiatiefnemers waren Goudsmit (D66), Van den Bergh (PvdA), Wiebenga (PSP) en Aarden (Groep-Aarden).
Stb. 2018, 493.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Op grond van artikel 82 lid 3 Gw heeft de Tweede Kamer het recht van initiatief, ook waar het gaat om een grondwetsherziening. Tot aan 1848 was het onduidelijk de Tweede Kamer het initiatiefrecht had voor een grondwetsherziening.1 Al sinds lange tijd is helder dat een kamerinitiatief toegestaan is in het kader van een grondwetsherziening (tot 1848 bestond daarover wel discussie). De initiatiefwetsprocedure wijkt op enkele punten af van de procedure bij regeringsvoorstellen. Artikel 9.21 RvOTK bepaalt dat de inzending van een initiatiefvoorstel aan de Voorzitter van de Tweede Kamer schriftelijk en ondertekend moet geschieden. Op grond van artikel 18 Wet op de Raad van State vraagt de Tweede Kamer rechtstreeks om advies aan de Afdeling advisering van de Raad van State. De aanhangigmaker verdedigt het voorstel en licht het voorstel toe. De voorbereiding van het voorstel op een ministerie ontbreekt.
Tot nu toe hebben sinds 1848 slechts drie initiatiefvoorstellen de gehele procedure doorstaan. Het gros van de initiatiefvoorstellen leidde niet tot een grondwetsherziening. Zeventien voorstellen sneuvelden in eerste lezing, vier voorstellen in tweede lezing. Zie daarvoor bijlage I en bijlage II.
Ondanks het feit dat het moeilijk blijkt om middels een initiatief een grondwetsherziening tot stand te brengen, neemt het aantal initiatiefvoorstellen met het oog op een wijziging van de Grondwet de laatste jaren toe.2 Momenteel lopen nog vijf initiatiefwetsprocedures in eerste lezing. Een tweetal voorstellen daarvan ligt al een geruime tijd stil.3
In bijlage III staat een schema met alle grondwetsherzieningen, waarin dat gegeven terug te vinden is. Ik bespreek de nu de drie grondwetsherzieningen die op door de Tweede Kamer zijn geïnitieerd. Ik bespreek deze voorbeelden omdat de gang van zaken rond initiatiefwetsvoorstellen in tweede lezing in de loop der tijd veranderde. Welke bijzonderheden zijn te vermelden bij de drie initiatiefvoorstellen die het wél hebben gered?
Een initiatiefvoorstel van KVP-voorman Romme e.a. uit 19484 strekte tot de opname van buitengewone bevoegdheden voor het burgerlijk gezag ten tijde van noodtoestanden. Romme (KVP), Van der Goes van Naters (PvdA), Schouten (ARP), Bierema (VVD) en Tilanus (CHU) ondertekenden dit voorstel ook. Het voorstel werd dus gesteund door een groot aantal partijen. Dit voorstel betrof een reactie op een ‘putsch’ in Praag, waar de communisten in februari 1948 de macht grepen in Tsjechoslowakije. De wetgever kon op grond van de tekst van dit voorstel bepalen hoe en wanneer bevoegdheden konden worden aangewend ten tijde van noodtoestanden. Op grond van een noodwet kon het burgerlijk gezag aan andere organen overgaan om zodoende adequaat in te kunnen grijpen vanuit centraal niveau. De tekst van het voorstel in tweede lezing luidde als volgt:
‘Ter handhaving van de uit- of inwendige veiligheid kan in buitengewone omstandigheden door of vanwege de Koning voor elk gedeelte van het grondgebied des Rijks worden bepaald, dat de grondwettelijke bevoegdheden van organen van burgerlijk gezag ten opzichte van de openbare orde en de politie geheel of ten dele overgaan op andere organen van burgerlijk gezag. De wet bepaalt de wijze waarop en de gevallen waarin zulks kan geschieden en regelt de gevolgen.
Het bepaalde in het derde lid van artikel 195 is hierbij van toepassing.’5
Interessant is dat het initiatiefvoorstel in eerste lezing als regeringsvoorstel doorging in tweede lezing. Deze praktijk vond ook plaats in 1956, toen een kamerinitiatief leidde tot een verklaringswet. In tweede lezing was sprake van een regeringsvoorstel. Dit voorstel sneuvelde echter in tweede lezing. In de jaren ’70 (van de vorige eeuw) veranderde deze praktijk. Dat valt meteen te zien bij het tweede voorbeeld
Het tweede initiatiefvoorstel dat leidde tot een grondwetsherziening was afkomstig van Van Thijn (PvdA) e.a. uit 19716 en ging over de verlaging van de kiesgerechtigde leeftijd. De Tweede en de Eerste Kamer namen het voorstel met algemene stemmen aan. Interessant is dat in tweede lezing twee voorstellen bestonden met dezelfde inhoud: een initiatiefvoorstel (11300) en een regeringsvoorstel (11306). Het eerste voorstel doorstond de tweede lezing. De regering bood een tweede voorstel op 11 mei 1971 aan, maar dit voorstel werd ingetrokken nadat het voorstel (als kamerinitiatief) de tweede lezing had doorstaan. Dat is in deze situatie niet zo vreemd, omdat de Tweede Kamer een identiek voorstel in tweede lezing aannam met een gekwalificeerde meerderheid.
Het derde en laatste voorbeeld gaat over het voorstel betreffende de deconstitutionalisering van de kroonbenoeming van de burgemeester. Het lid Schouw (D66) maakte op 19 april 2012 dit voorstel aanhangig. De afronding in eerste lezing vond plaats in 2015. Na de verkiezingen van 2017 loodste initiatiefnemer Jetten het weinig controversiële voorstel door de tweede lezing. Eind 2018 was de grondwetsherziening afgerond.7