Einde inhoudsopgave
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/5.8.2
5.8.2 Overwaarde als gevolg van waardestijging
E.F. Verheul, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
E.F. Verheul
- JCDI
JCDI:ADS399664:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Schoordijk 1986, p. 310 en Salomons 1995, p. 821. Anders: Verstijlen 2015, art. 3:92 BW, aant. 40 die opmerkt dat op grond van art. 6:271 BW plaats is ‘voor een vergoeding van de eventuele waardestijging van de zaak door de verkoper aan de koper.’ Art. 6:271 BW reikt evenwel niet verder dan terugbetaling van het reeds aanbetaalde. Buiten het geval van art. 6:278 BW is voor een vergoeding als gevolg van tussentijdse waardestijging geen ruimte.
Salomons 1995, p. 822, Struycken 1996b, p. 180 en Verheul 2015b, p. 275. Zo ook m.b.t. het recht van reclame W.M.J. Weijers, Het reclamerecht in collisie met enkele andere rechten, Arnhem: Gouda Quint 1991, p. 9 en Fikkers 1992, p. 143.
Vgl. ook W.H. van Boom in diens noot onder HR 12 februari 2016, AA 2016, p. 363-370 die op p. 368 opmerkt dat waardevermeerdering ‘ten gunste komt van degene die geacht moet worden altijd de rechthebbende te zijn gebleven.’
M.v.A. II., Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 388.
Verheul 2015b, p. 275.
Vriesendorp 1985a, p. 68-69, Van Vliet 2008, p. 330-332. Zo ook (in ieder geval voor sale and lease back): Kortmann & Van Hees 1995a, p. 995-996, Kortmann & Van Hees 1995b, p. 456, R.D. Vriesendorp in zijn noot onder het Sogelease-arrest in AA 1995, p. 878. Ook Struycken 1996c, p. 656-658 acht afdracht van overwaarde – kennelijk in weerwil van zijn in voetnoot 105 genoemde standpunt – wenselijk, maar ziet daarvoor slechts mogelijkheden bij een meer functionele benadering van het zekerhedenrecht. Vgl. ook Brinkman 2011, p. 456 die betoogt dat het wenselijk is dat overwaarde door waardestijging toekomt aan de koper, omdat de eigendom van de verkoper slechts de functie heeft om zekerheid te bieden voor de koopprijs en de zaak al ‘haftungsrechtlich’ toebehoort aan de koper. Zoals hier wordt betoogd, biedt het eigendomsvoorbehoud evenwel geen zekerheid voor de koopprijs en valt de zaak evenmin ‘haftungsrechtlich’ of ‘economisch’ in het vermogen van de koper, omdat hij de tegenwaarde voor de zaak nog niet heeft voldaan.
Zie naast de in de vorige noot genoemde auteurs: Heyman 1994, p. 10 en J.B. Vegter ‘Over de strekking van het fiduciaverbod bij een financiële sale-lease back’, WPNR 1995 (6191), p. 556. Mogelijk ook: Salomons 1995, p. 821-822 (althans indien de afbetalingstermijn korter is dan de economische levensduur).
Zie hoofdstuk 9, voetnoot 88.
Struycken 1996b, p. 180.
Vgl. Verstijlen 2015, art. 3:92 BW, aant. 40. Zie ook Salomons 1995, p. 821 die opmerkt dat uit art. 6:278 BW moet worden afgeleid dat buiten die situatie overwaarde als gevolg van waardestijging juist niet behoeft te worden afgedragen.
Struycken 1996b, p. 180, Struycken 1996c, p. 656 en Verheul 2015b, p. 274-275. Anders: A.F. Salomons, ‘Reactie’, WPNR 1996 (6237), p. 654 en Van Vliet 2008, p. 330-332.
Zevenbergen 1938, p. 109. Zie ook Hemsing 1892, p. 51-54, Scholten 1906, p. 94-96 en C.J.H. Jansen, De negentiende-eeuwse wortels van het moderne zekerheidsrecht (oratie Nijmegen), Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink 1999, p. 10.
M.v.T., Kamerstukken II 1933/34, 431, 3, p. 12.
M.v.T., Kamerstukken II 1933/34, 431, 3, p. 12.
Anders: Van Vliet 2008, p. 330-332, die ten onrechte uit de wetgeschiedenis afleidt dat de wetgever onder alle omstandigheden vermogensvoordeel van de verkoper wilde voorkomen. Aan de problematiek van waardestijging is immers überhaupt niet gedacht. Anders dan Van Vliet meent, is aan de memorie van antwoord bij de Tijdelijke wet huurkoop onroerende zaken ook geen argument te ontlenen. De door hem aangehaalde passage (M.v.A., Kamerstukken II, 1972/73, 11277, 6, p. 8) heeft namelijk slechts betrekking op het geval dat de overeenkomst door bevrediging van de huurverkoper eindigt en heeft niet het oog op de situatie dat sprake is van ontbinding.
Von Bar & Clive 2009, p. 5666. Kritisch: Veneziano 2012, p. 134-135.
Vgl. Brinkmann 2011, p. 456 en Veneziano 2012, p. 134-135.
Indien sprake is van overwaarde als gevolg van het feit dat de verkochte zaak tussentijds in waarde is gestegen, heeft toepassing van de hiervoor genoemde regels tot gevolg dat dergelijke waardestijging ten goede komt aan de verkoper.1 De verplichting tot afdracht bij ontbinding van de verkoper reikt namelijk niet verder dan tot terugbetaling van datgene wat reeds is gepresteerd (art. 6:271 BW). Dat is slechts anders indien de waardestijging een gevolg is van veranderingen of toevoegingen door de koper aangebracht (art. 6:275 BW) of de verkoper gekozen heeft voor ontbinding, terwijl aannemelijk is dat hij zonder de waardestijging niet tot ontbinding zou zijn overgegaan (art. 6:278 BW). In de regel zal van een zodanige situatie geen sprake zijn.
Dat de verkoper overwaarde als gevolg van waardestijging behoudt, is ook gerechtvaardigd.2 De verkoper gaat immers over tot uitoefening van het eigendomsvoorbehoud, omdat de koper de verschuldigde tegenprestatie niet voldoet. Het valt niet goed in te zien waarom de koper als gevolg van zijn eigen wanprestatie een voordeel in de schoot geworden zou moeten krijgen in de vorm van een vergoeding van de tussentijds opgetreden waardestijging. Aangezien de zaak nooit onderdeel heeft uitgemaakt van het vermogen van de koper en de koper juist in gebreke is gebleven met voldoening van de prestatie die zou bewerkstelligen dat de zaak onderdeel zou gaan uitmaken van zijn vermogen, bestaat geen rechtvaardiging voor het toekennen van deze overwaarde aan de koper. De waardestijging van de verkochte zaak komt dan ook toe aan degene die eigenaar is gebleven van die zaak.3 De verkoper behoudt met een eigendomsvoorbehoud zijn eigen prestatie voor, zodat de verkoper ook profiteert van de waardestijging van zijn eigen prestatie, indien hij door ontbinding bevrijd wordt van zijn verplichtingen. Ook in de parlementaire geschiedenis van het eigendomsvoorbehoud merkt de wetgever uitdrukkelijk op dat als de verkoper de zaak na uitoefening van het eigendomsvoorbehoud aan een ander vervreemdt, hij ‘de opbrengst geheel voor zichzelf’ kan houden.4
De koper lijdt hierdoor geen nadeel, omdat (de waarde van) de zaak nooit deel heeft uitgemaakt van zijn vermogen. Bovendien zal de koper veelal indirect wel degelijk profiteren van de waardestijging. Aangezien zaken in het algemeen door tijdsverloop (en gebruik) in waarde afnemen, zal de koper bij uitoefening van het eigendomsvoorbehoud dikwijls tot vergoeding van een waardedaling verplicht zijn in de vorm van de schadevergoedingsvordering ex artikel 6:277 BW. Als de zaak in een voorkomend geval in waarde is gestegen, heeft dit tot gevolg dat de schadevergoedingsverplichting van de koper dienovereenkomstig afneemt of zelfs geheel wegvalt. Het is derhalve goed denkbaar dat de waardestijging tot gevolg heeft dat de koper tot minder of geen schadevergoeding verplicht is. Als hij reeds een gedeelte van de koopprijs heeft betaald, zal hij dan ook een groter gedeelte terugontvangen.5
Een aantal auteurs heeft daarentegen betoogd dat het wenselijk en billijk is dat dergelijke overwaarde zou toekomen aan de koper, omdat eigendom hier als zekerheidsmiddel functioneert.6 De grondslag voor een zodanige verplichting zou artikel 6:212 BW of artikel 7:92 lid 1 BW zijn.7 Zoals in dit proefschrift wordt verdedigd, heeft het eigendomsvoorbehoud echter een geheel andere functie dan een pandrecht of de onder het oude recht gebruikelijke zekerheidsoverdracht. De vergelijking met artikel 3:253 lid 1 BW of met de overeenkomstige toepassing van de regels voor pandrecht op de zekerheidsoverdracht onder het oude recht, gaat derhalve niet op. Bovendien moet bedacht worden dat de verplichting tot afdracht van een surplus bij pandrecht haar grondslag heeft in de omstandigheid dat de verpande zaak, althans in ieder geval het surplus, in economisch opzicht is blijven toebehoren aan de zekerheidsgever.8 Aangezien (dit gedeelte van) de waarde van de zaak derhalve in het vermogen van de pandgever valt, is het gerechtvaardigd dat hij dit surplus verkrijgt. Bij het eigendomsvoorbehoud is hiervan geen sprake. Juist vanwege het eigendomsvoorbehoud en de omstandigheid dat de koper de tegenprestatie voor de verkrijging van de zaak nog niet heeft voldaan, behoort de zaak immers niet tot het vermogen van de koper. Het valt niet goed in te zien waarom het gerechtvaardigd zou zijn dat de koper een gedeelte van de waarde van de zaak zou ontvangen, terwijl deze waarde nooit onderdeel heeft uitgemaakt van zijn vermogen.
Bovendien kunnen de genoemde artikelen geen grondslag bieden voor een verplichting tot afdracht. Van een ongerechtvaardigde verrijking van de verkoper kan niet worden gesproken.9 Zo men al zou kunnen zeggen dat de koper is verarmd, omdat hem een waardestijging ontgaat, wordt deze verarming gerechtvaardigd door de koopovereenkomst met de verkoper, waaruit immers voortvloeit dat de koper pas aanspraak kan maken op (de waarde van) de zaak op het moment dat hij de koopprijs volledig heeft voldaan. De verkrijging van (de waarde van) de zaak heeft daarmee een alles-of-niets-karakter: pas als de volledige koopprijs is voldaan, verkrijgt de koper de zaak en kan hij aanspraak maken op de waardestijging die is verbonden aan de omstandigheid dat hij eigenaar is van de zaak. Ook uit het samenspel van de regels van artikel 6:271, 6:277 en 6:278 BW kan worden afgeleid dat voor een verplichting tot afdracht geen ruimte bestaat. Integendeel, uit het feit dat artikel 6:278 BW de verplichting tot afdracht van waarde uitdrukkelijk beperkt tot een specifiek geval, moet worden afgeleid dat een voordeel voor de verkoper als gevolg van een waardestijging buiten dat geval niet ongerechtvaardigd is. Een verplichting tot afdracht van dit voordeel op grond van artikel 6:212 BW zou deze door de wetgever gemaakte keuzes in het kader van de ontbindingsregeling doorkruisen.10
Ook artikel 7:92 lid 1 BW biedt geen grondslag voor een verplichting tot afdracht van overwaarde als gevolg van waardestijging.11 Zoals hiervoor reeds aan de orde kwam, is de bepaling een rechtstreekse overname van artikel 1576t BW (oud). Die bepaling was een reactie van de wetgever op het veelvuldig in huurkoopovereenkomsten voorkomende vervalbeding, op grond waarvan de verkoper in geval van ontbinding niet alleen de verkochte zaak kon opvorderen, maar tevens het reeds aanbetaalde bedrag mocht behouden.12 Zoals hiervoor al bleek, wilde de wetgever met deze bepaling de kwetsbare huurkoper beschermen. Hij achtte een vervalbeding niet onredelijk indien slechts een klein gedeelte van de koopprijs was betaald en de zaak in waarde was gedaald.13 Als de verkoper als gevolg van het vervalbeding echter meer zou behouden dan waarop hij op grond van de koopovereenkomst recht had, moest hij dit surplus aan de koper uitkeren. Artikel 7:92 lid 1 BW strekt er derhalve slechts toe te verbieden dat de verkoper het reeds aanbetaalde bedrag behoudt, voor zover dit bedrag vermeerderd met de restwaarde van de zaak de hoogte van de koopprijsvordering overstijgt.14
De bepaling bestrijkt niet het geval dat de verkoper bij uitoefening van het eigendomsvoorbehoud in een betere vermogenstoestand geraakt doordat de verkochte zaak tussentijds in waarde is gestegen.15 De wetgever wenste slechts een bevoordeling van de verkoper te voorkomen die ten koste ging van het vermogen van de koper, waaruit het reeds aanbetaalde bedrag afkomstig was. Daarvan is geen sprake indien de overwaarde een gevolg is van een tussentijdse waardestijging, terwijl bovendien niet goed valt in te zien waarom zodanige overwaarde aan de koper zou moeten toekomen, indien hij tekortschiet in de nakoming van de koopovereenkomst. Dit stemt ook overeen met de regels voor uitoefening van het eigendomsvoorbehoud in de DCFR. Volgens art. IX.-7:301 (1) DCFR kan de verkoper het eigendomsvoorbehoud uitoefenen door ‘termination of the contractual relationship.’ Vervolgens kan hij de zaak als eigenaar opvorderen. In art. IX.- 7:301 (3) DCFR wordt uitdrukkelijk opgemerkt dat een eventueel surplus dat bij wederverkoop van de zaak wordt gerealiseerd, toekomt aan de verkoper. Aangezien de verkoper op grond van de ontbindingsregels volgens de DCFR ook gehouden is het reeds aanbetaalde bedrag te restitueren (art. III.-3:510 DCFR), gaat het hierbij om een surplus als gevolg van waardestijging van de zaak. Dat dergelijke overwaarde aan de verkoper toekomt wordt in de toelichting als volgt gerechtvaardigd:
‘The new contract has been concluded separately and independently of the original contract. The original buyer, hire-purchaser, lessee or consignee has not contributed in any way to achieving the additional profit – except indirectly by its default. How could such a nonperformance justify a reward?’16
Daaraan ligt ten grondslag dat de verkoper altijd eigenaar is gebleven en een dergelijke waardestijging toekomt aan de eigenaar van een zaak.17 Zoals hierboven werd betoogd, geldt voor het Nederlandse recht niets anders.