Einde inhoudsopgave
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/5.8.1
5.8.1 Terugbetaling van het reeds betaalde gedeelte van de koopprijs
E.F. Verheul, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
E.F. Verheul
- JCDI
JCDI:ADS401984:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Van Lier 1892, p. 47-48, Vriesendorp 1985a, p. 68, Heyman 1994, p. 10, Salomons 1995, p. 821 en Struycken 1996b, p. 179. Kennelijk anders: Wibier 2016, p. 213.
T.M., Parl. Gesch. Boek 6 BW, p. 1036.
Verheul 2015b, p. 274 en Bartels & Geurts 2016, p. 130. Hieraan wordt voorbijgegaan door W.M. Kleijn in punt 5 van zijn noot onder HR 19 mei 1995, NJ 1996, 119 (Keereweer q.q./Sogelease) (zie ook hierna in voetnoot 96) en Hemsing 1892, p. 51.
Zo reeds Scholten 1906, p. 96. Vgl. ook S.C.J.J. Kortmann & J.J. van Hees, ‘De leasenemer in financiële moeilijkheden’, in: J.J. van Hees, R.M. Hermans & S.C.J.J. Kortmann, Vermogensrechtelijke aspecten van leasing, Lelystad: Vermande 1997, p. 93-96.
Zie voor Oostenrijk Schwimann & Kodek/Spitzer 2014, § 1063 ABGB, Rn. 86 en Schwimann & Kodek/ Reidinger 2014, § 921 ABGB, Rn. 20 onder verwijzing naar OGH 10 december 1981, zaaknr. 7Ob786/81. Zie voor het Duitse recht Lambsdorff 1974, p. 59, BGB-RGRK/Krüger-Nieland & Zöller 1982, § 138 BGB, Rn. 96, MünchKomm-BGB/Gottwald 2016, Vorbem zu § 336-346 BGB, Rn. 36 en MünchKomm-BGB/ Gaier 2016, § 354 BGB, Rn. 1. Volgens BGH 8 oktober 1992, NJW-RR 1993, 243 staat het partijen vrij een dergelijk beding overeen te komen, omdat de ontbindingsregels van regelend recht zijn, maar kan het beding onder omstandigheden nietig zijn wegens strijd met de goede zeden. Het BGH lijkt daarbij een zekere bovengrens te eisen, omdat zij anders averechts effect kan hebben, hetgeen in het berechte geval aan de orde was: ‘Die verfallende Summe ist nicht auf einen bestimmten Betrag begrenzt und wächst mit der Höhe der auf den Kaufpreis erbrachten Zahlungen. Das hat zur Folge, daû sich der Schuldner im Ergebnis desto besser steht, je weniger er seinen Zahlungspflichten nachkommt, und desto schlechter, je vertragsgetreuer er sich verhält. Damit wird ein wesentlicher Zweck der Verfallklausel in sein Gegenteil verkehrt.’ Zie voor vergelijkbare bezwaren Hemsing 1892, p. 53: ‘Het bedrag der straf staat in omgekeerde reden tot de door kooper betoonde nauwgezetheid in betalen.’
Schoordijk 1971, p. 470 (kennelijk anders: Schoordijk 1986, p. 310), Brahn 1984, p. 32, eindnoot 6, Vriesendorp 1985a, p. 68-69 en Brahn 1991, p. 135.
Zie over deze ratio van art. 1576t BW (oud), hierna in paragraaf 5.8.2. In punt 5 van zijn noot onder HR 19 mei 1995, NJ 1996, 119 (Keereweer q.q./Sogelease) suggereert W.M. Kleijn dat de toepassing van (thans) art. 7:92 lid 1 BW tot gevolg kan hebben dat de verkoper bij ontbinding slechter af is dan bij nakoming, wanneer hij de aanbetaalde termijnen dient te restitueren. Daarbij gaat hij eraan voorbij dat de verkoper ook een schadevergoedingsvordering heeft en aldus slechts over hoeft te gaan tot restitutie van het aanbetaalde voor zover zijn schade is vergoed. Hij is enkel slechter af indien het aanbetaalde niet voldoende is om de schadevergoedingsvordering mee te verrekenen, maar dat nadeel staat los van de werking van art. 7:92 lid 1 BW.
Vgl. punt 5 van de noot van W.M. Kleijn onder HR 19 mei 1995, NJ 1996, 119 (Keereweer q.q./Sogelease), Struycken 1996b, p. 180 en Verheul 2015b, p. 274.
Zie over het navolgende uitgebreid Verheul 2015b, p. 271-277.
M.v.T., Kamerstukken II 1933/34, 431, 3, p. 6-7.
Vgl. Struycken 1996b, p. 180.
Zo reeds tegen de in de literatuur wel bepleite toepassing van art. 1576t BW (oud) op het eigendomsvoorbehoud: Mezas 1985, p. 15. Daarbij lijkt te worden aangesloten door Asser/Van Mierlo 3-VI 2016, nr. 541. Zie ook Reehuis 2013, nr. 86 en Verstijlen 2015, art. 3:92 BW, aant. 40. Vgl. ten aanzien van leasing ook Van Hees 1997, p. 186-187.
Vgl. Van Hees 1997, p. 33-38.
M.v.T., Kamerstukken II 2015/2016, 34442, 3, p. 1.
Indien de koopovereenkomst als gevolg van de uitoefening van het eigendomsvoorbehoud wordt ontbonden, ontstaan op grond van artikel 6:271 BW ongedaanmakingsverbintenissen. Aldus dient de verkoper het reeds betaalde gedeelte van de koopprijs te restitueren.1 Dit bedrag komt dus in beginsel toe aan de koper. Indien echter een tekortkoming van de koper de oorzaak voor ontbinding is, heeft de verkoper recht op schadevergoeding, die tevens het positieve contractsbelang omvat (art. 6:277 BW). Een dergelijke schadevergoedingsvordering zal de verkoper geldend kunnen maken als de verkochte zaak tussentijds in waarde is gedaald. De hoogte van de schadevergoeding wordt bepaald door een vergelijking tussen de situatie waarin de verkoper zou verkeren bij nakoming van de overeenkomst en de situatie waarin hij verkeert na ongedaanmaking.2 Bij een waardedaling van de zaak dient de koper dus het verschil tussen de waarde van de zaak bij uitoefening van het eigendomsvoorbehoud en de hoogte van de koopprijsvordering te betalen als schadevergoedingsvordering. De verkoper kan deze schadevergoedingsvordering verrekenen met diens verplichting tot restitutie van het reeds aanbetaalde gedeelte van de koopprijs.3 Indien vervolgens nog een surplus resteert – omdat de waardedaling geringer is dan hetgeen de koper reeds heeft aanbetaald – dient de verkoper dit restant uit te keren aan de koper. Aangezien het plafond voor de schadevergoedingsvordering van artikel 6:277 BW wordt gevormd door de hypothetische vermogenspositie van de verkoper bij nakoming door de koper, bewerkstelligen deze regels uiteindelijk dat de verkoper als gevolg van de uitoefening van het eigendomsvoorbehoud nooit meer zal ontvangen dan bij nakoming van de koopovereenkomst.
Het staat partijen in beginsel vrij om van die regels af te wijken. Niet ongebruikelijk is een beding met de strekking dat het reeds aanbetaalde bedrag aan de verkoper verblijft, indien de verkoper moet overgaan tot uitoefening van het eigendomsvoorbehoud omdat de koper in gebreke is gebleven met de voldoening van de verschuldigde koopprijs. Een zodanige afspraak is te begrijpen als een boetebeding, waartegen geen bezwaar behoeft te bestaan.4 In voorkomende gevallen kan de boete worden gematigd op grond van artikel 6:94 BW.5 Ook het Oostenrijkse en Duitse recht hebben houden dergelijke afspraken, waarbij de reeds aanbetaalde termijnen bij uitoefening van het eigendomsvoorbehoud als een bedongen boete aan de verkoper verblijven, voor mogelijk.6
In voorkomende gevallen moet echter rekening worden gehouden met artikel 7:92 lid 1 BW. De bepaling verplicht bij de ontbinding van een goederen-kredietovereenkomst wegens tekortschieten van de kredietnemer tot volledige verrekening, indien een van de partijen door de ontbinding in een betere vermogenstoestand zou geraken dan bij het in stand blijven van de overeenkomst. De bepaling gaat terug op artikel 1576t BW (oud), dat een vergelijkbare regeling kende voor huurkoopovereenkomsten. Door een aantal auteurs is in de loop der tijd zonder al te veel onderbouwing opgemerkt dat artikel 1576t BW (oud), al dan niet analogisch, zou moeten worden toegepast op het eigendomsvoorbehoud.7 Opmerkelijk genoeg heeft de wetgever – zonder daaraan ook maar een woord te wijden – deze suggestie overgenomen bij de hercodificatie van artikel 1576t BW (oud) in artikel 7:92 lid 1 BW voor een eigendomsvoorbehoud dat valt binnen de definitie van de overeenkomst van goederenkrediet. Artikel 7:92 lid 1 BW is namelijk van toepassing op goederenkredietovereenkomsten. Het gaat daarbij blijkens artikel 7:84 lid 1 BW om een overeenkomst ‘ter zake van het verschaffen van het genot door de kredietgever aan de kredietnemer van een roerende zaak, niet zijnde een registergoed, mits de termijn waarbinnen het krediet moet worden terugbetaald langer is dan drie maanden nadat het krediet ter beschikking is gesteld, dan wel met het verschaffen van het genot van de zaak een aanvang is gemaakt.’ Een koopovereenkomst met eigendomsvoorbehoud valt derhalve onder deze definitie, indien de koper de verschuldigde tegenprestatie pas na meer dan drie maanden behoeft te voldoen.
Artikel 7:92 lid 1 BW strekt er aldus toe dat de koper het reeds aanbetaalde bedrag terugkrijgt, voor zover de verkoper door behoud van dit bedrag in een betere vermogenstoestand zou geraken dan bij nakoming van de koopovereenkomst.8 In zoverre bepaalt het artikel derhalve niets anders dan reeds uit artikel 6:271 BW en artikel 6:277 BW voortvloeit.9 Artikel 7:92 lid 1 BW heeft echter in alle verhoudingen een dwingendrechtelijk karakter (art. 7:98 lid 1 BW), zodat daarvan niet kan worden afgeweken. Die keuze van de wetgever is weinig overtuigend, in het bijzonder omdat zij verder niet is toegelicht. Niet goed valt namelijk in te zien waarom partijen de mogelijkheid moet worden ontnomen om af te wijken van de ontbindingsregels.10 Oorspronkelijk had artikel 1576t BW (oud) ook al een dwingendrechtelijk karakter, maar die regeling was slechts van toepassing op gevallen van huurkoop. Bovendien hing het dwingendrechtelijk karakter van die regel samen met de tijd waarin de bepaling is ingevoerd. De huurkoopregeling werd in het midden van de jaren dertig van de vorige eeuw ingevoerd als reactie op woekerpraktijken en misbruiken, die ‘de vrije hanteering van het gemeene recht’ mogelijk maakte. De wetgever wenste de partijautonomie te beperken om het evenwicht te bewaren tussen partijen van ongelijke economische kracht.11
Het tegenwoordige recht kent subtielere manieren om aan deze wens tegemoet te komen, zoals door bijzondere bescherming van consumenten en een inhoudelijke toets van algemene voorwaarden.12 Met betrekking tot professionele partijen, valt niet goed in te zien waarom de bepaling een dwingendrechtelijk karakter heeft.13 Een zodanige dwingendrechtelijke bepaling kan tot gevolg hebben dat partijen niet in staat zijn om hun rechtsverhouding vorm te geven op de wijze waarop ze dat zouden willen.14 Het dwingendrechtelijk voorschrijven van volledige verrekening en de uitbreiding van de reikwijdte van die regel is des te opmerkelijker wanneer men bedenkt dat de wetgever bij de hercodificatie van de huurkoopregeling in Boek 7 BW de vermindering van dwingend recht als belangrijke doelstelling zag,15 terwijl hij noch de uitbreiding van de regeling tot koopovereenkomst met een eigendomsvoorbehoud (met een betalingstermijn van meer dan drie maanden) noch het dwingendrechtelijk karakter van artikel 7:92 lid 1 BW heeft onderbouwd. Er bestaat dan ook geen goede reden om partijen dwingendrechtelijk te verplichten tot volledige verrekening, indien de koper geen consument is. Wat hiervan verder echter ook zij, voor koopovereenkomsten met een eigendomsvoorbehoud die onder de definitie van een goederenkredietovereenkomst vallen, kan met de inwerkingtreding van artikel 7:92 lid 1 BW niet meer worden afgeweken van de regels van artikel 6:271 e.v. BW.