De autonomie van de leraar
Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/1.3.3.1:1.3.3.1 Inleiding
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/1.3.3.1
1.3.3.1 Inleiding
Documentgegevens:
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949555:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Net als bij de onderwijsbestuurder zijn wet- en regelgeving, jurisprudentie en het feitelijk optreden van betrokkenen elementen die van invloed zijn op de autonomie van de leraar. De leraar verkeert evenwel in een beduidend andere positie dan het bevoegd gezag, ouders of onderwijsbestuurders. Er zijn dan ook aanvullende elementen nodig om de autonomie van de leraar in kaart te brengen. Een van deze elementen is de professionele standaard, waaraan de leraar als professional gebonden is. Een ander specifiek element is het beleid en de instructies van het bevoegd gezag, waar de leraar zich als werknemer aan moet houden. Ook is relevant dat de leraar een gezagsverhouding heeft met de leerling en rekening moet houden met zijn rechten. Ten slotte speelt het feitelijk optreden van betrokkenen een grotere rol bij de autonomie van de leraar. Hij heeft te maken met feitelijk optreden van een groot aantal actoren, zoals van het bevoegd gezag, de leerling en zijn ouders, en de overheid.
Samengevat zijn dus de volgende elementen van invloed op de mate van autonomie die aan de leraar toekomt:
Wet- en regelgeving;
Jurisprudentie;
Professionele standaard;
Beleid en instructies van het bevoegd gezag;
Gezagsverhouding met en rechten van de leerling;
Feitelijk optreden van betrokkenen, scholing, veronderstelde normen en soft law.
Op deze verschillende elementen wordt hierna eerst kort nader ingegaan. Daarna wordt kort toegelicht dat de autonomie van de naargelang de onderwijssector, school of klas die het betreft.