Einde inhoudsopgave
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/4.2.4.3
4.2.4.3 Rechtstreeks toepasselijke bepalingen ten voordele van eindontvangers van Europese subsidies
Mr. J.E. van den Brink, datum 13-12-2012
- Datum
13-12-2012
- Auteur
Mr. J.E. van den Brink
- JCDI
JCDI:ADS400767:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
HvJEG 11 januari 2001, C-403/98 (Azienda Agricola Monte Arcosu), Jur. 2001, p. 1-103.
Het verdient opmerking dat het geschil eigenlijk draaide om het feit dat Monte Arcosu niet in aanmerking kwam voor het nationale verlaagde registratierechtentarief omdat zij op grond van het nationale recht niet kon worden geregistreerd als een bedrijfshoofd met hoofdberoep landbouw. De Commissie stelde zich dan ook op het standpunt dat het geschil buiten de werkingssfeer van het Europese recht viel. Het HvJEG overweegt echter in r.o. 23 dat de weigering om Monte Arcuso als bedrijfshoofd met hoofdberoep landbouw te registreren tot gevolg heeft dat het haar eveneens onmogelijk althans moeilijker wordt gemaakt om in het genot te komen van de steun waarin de gemeenschapswetgeving voorziet.
In het arrest Azienda Agricola Monte Arcosu is de vraag aan de orde in hoeverre een bepaling van een Europese subsidieverordening rechtstreekse werking heeft en meer specifiek of een aanvrager van een Europese subsidie daaraan een recht kan ontlenen.1 De aanvrager beriep zich op de in een Europese verordening neergelegde verplichting voor de lidstaat om het begrip 'bedrijfshoofd met hoofdberoep landbouw' te definiëren voor andere dan natuurlijke personen, met inachtneming van de criteria die zijn gebruikt voor natuurlijke personen. De Italiaanse wetgever had aan deze verplichting geen gevolg gegeven, zodat het voor de desbetreffende aanvrager moeilijker was om voor een Europese subsidie in aanmerking te komen.2 Het Hof van Justitie concludeert dat de lidstaten bij de uitvoering van deze bepalingen een zodanige beoordelingsmarge hebben dat niet kan worden aangenomen dat particulieren aan deze bepalingen rechten kunnen ontlenen, wanneer de lidstaten geen uitvoeringsmaatregelen hebben vastgesteld. Het Hof van Justitie oordeelt dus niet dat reeds de omstandigheid dat de Europese bepaling de lidstaten verplicht tot het vaststellen van nationale uitvoeringsmaatregelen tot gevolg heeft dat geen gemeenschappelijke regeling bestaat en daarom nationaal recht moet worden vastgesteld. Hoewel dit niet uit het arrest zelf blijkt, lijkt de keuze van het Hof van Justitie om expliciet te bezien of sprake is van een rechtstreeks werkende bepaling te zijn gelegen in het feit dat het gaat om een bepaling die expliciet rechten aan particulieren beoogt toe te kennen. Waar mogelijk moet worden gewaarborgd dat particulieren deze rechten ook daadwerkelijk kunnen effectueren. Hoe dan ook, het eindoordeel van het Hof komt op hetzelfde neer: de desbetreffende Europese bepaling is niet rechtstreeks toepasselijk, zodat voor de uitvoering van de bepaling uit de Europese verordening het vaststellen dan wel toepassen van nationaal recht noodzakelijk is.