Einde inhoudsopgave
Invloed van schuldeisers in insolventieprocedures (IVOR nr. 129) 2023/8.2.3
8.2.3 Homologatie van het akkoord
mr. H.J. de Kloe, datum 01-06-2023
- Datum
01-06-2023
- Auteur
mr. H.J. de Kloe
- JCDI
JCDI:ADS708299:1
- Vakgebied(en)
Huurrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Volgens artikel 384 lid 1 Fw wordt het verzoek afgewezen als één of meer van de afwijzingsgronden als bedoeld in lid 2 tot en met 5 zich voordoen, maar lid 5 bevat geen afwijzingsgrond. Lid 5 verwijst terug naar de afwijzingsgrond van lid 2 sub a en bepaalt dat de rechtbank geen toestemming verleent voor de opzegging van een overeenkomst als deze grond zich voordoet.
Kamerstukken II 2018/19, 35249, nr. 3, p. 15 en 16. Zie in de rechtspraak bijvoorbeeld Rechtbank Amsterdam 21 december 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:7533, r.o. 4.6 en Rechtbank Den Haag 3 september 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:9782, r.o. 7.1.
Voor een uitgebreide bespreking van alle algemene weigeringsgronden, zie Mennens 2020, par. 9.4.
Dat was ten aanzien van de meeste afwijzingsgronden niet het geval in de consultatieversie van de WHOA, zie artikel 381 lid 2 en 3 Fw (concept). Na kritiek hierop is dit aangepast. Zie voor de kritiek het advies van de Raad voor de rechtspraak van 14 december 2017, bijlage bij Kamerstukken II 2018/19, 35249, nr. 3, p. 2 t/m 4 en Van Vugt 2017, p. 223-225.
Zie bijvoorbeeld Rechtbank Limburg 8 oktober 2021, ECLI:NL:RBLIM:2021:8851 en Rechtbank Amsterdam 2 september 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:6521. In de memorie van toelichting is ook opgenomen dat de afwijzingsgrond van lid 3 grotendeels is geïnspireerd op de best interest of creditors’ test uit de Verenigde Staten, Kamerstukken II 2018/19, 35249, nr. 3, p. 17. Zie verder Tollenaar, TvI 2019/32, par. 12 (waar hij streepjes tussen de woorden zet, dus best-interest-of-creditors test) en Mennens 2020, par. 9.5, waar zij naar de toets ook verwijst als de ‘best interests-test’ of de ‘no creditor worse off-test’.
Kamerstukken II 2018/19, 35249, nr. 3, p. 67. Aldus ook de memorie van antwoord, Kamerstukken I 2020/21, 35249, C, p. 12.
Een vergelijkbare bepaling is opgenomen in artikel 2:349 BW voor het enquêterecht. Dat het melden een voorwaarde is voor de ontvankelijkheid staat expliciet in artikel 2:349 BW. In artikel 383 lid 9 Fw ontbreekt deze consequentie, maar volgens mij is het ook hier een voorwaarde voor de ontvankelijkheid. Anders: Rechtbank Den Haag 25 februari 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:1450, r.o. 6.13, waarin het niet (tijdig) melden van de bezwaren tegen de homologatie heeft geleid tot afwijzing van het afwijzingsverzoek.
In de consultatieversie van de WHOA was wel verplichte procesvertegenwoordiging opgenomen (art. 381 lid 3 en 4 jo. art. 5 Fw (concept)). Na kritiek hierover door de Raad voor de rechtspraak is de verplichte procesvertegenwoordiging geschrapt. Zie pagina 4 van het advies van de Raad voor de rechtspraak van 14 december 2017.
Aldus expliciet over een akkoord op grond van artikel 287a Fw HR 4 december 2020, JOR 2021/158, m.nt. B.A. Schuijling. Schuijling stelt in zijn annotatie onder deze uitspraak terecht dat deze regeling ook kan worden doorgetrokken naar de WHOA.
Zie hierover ook Schuijling in zijn annotatie onder HR 4 december 2020, JOR 2021/158.
De rechtbank wijst het homologatieverzoek toe, tenzij één of meer van de afwijzingsgronden als bedoeld in artikel 384 lid 2 tot en met lid 4 Fw zich voordoen.1 De afwijzingsgronden uit lid 2 worden ook wel de algemene afwijzingsgronden genoemd, de afwijzingsgrond uit lid 3 en 4 de aanvullende afwijzingsgronden.2 Afwijzingsgronden uit lid 2 zijn bijvoorbeeld dat het akkoord niet alle in artikel 375 Fw omschreven informatie bevat (sub c), dat de klassenindeling in strijd is met artikel 374 Fw (ook sub c), dat de nakoming van het akkoord niet voldoende is gewaarborgd (sub e) en dat sprake is van een sluipakkoord (sub g).3 De afwijzingsgronden uit lid 2 toetst de rechtbank ambtshalve4 en op verzoek van schuldeisers en aandeelhouders. De afwijzingsgrond die is opgenomen in lid 3, wordt slechts getoetst op verzoek van een schuldeiser of aandeelhouder die tegen het akkoord heeft gestemd. De homologatie wordt op grond van lid 3 geweigerd als summierlijk blijkt dat deze schuldeiser onder het akkoord slechter af is dan in faillissement. Deze grond wordt ook wel, naar Amerikaans voorbeeld, de best interest of creditors test genoemd.5 Tot slot wordt uitsluitend aan de afwijzingsgronden van lid 4 getoetst op verzoek van een schuldeiser of aandeelhouder die tegen het akkoord heeft gestemd en is ingedeeld in een klasse die als geheel tegen het akkoord heeft gestemd.
Op grond van lid 4 sub a weigert de rechtbank de homologatie als een klasse MKB-schuldeisers minder dan 20% van de waarde van de vordering ontvangt onder het akkoord, terwijl hiervoor geen zwaarwegende grond is aangetoond. Uit sub b volgt dat afwijzing volgt als ten nadele van de schuldeiser die op deze bepaling een beroep doet, is afgeweken van de wettelijke rangorde, tenzij hiervoor een redelijke grond bestaat en de schuldeiser door de afwijking niet in zijn belang wordt geschaad. Op basis van sub c moet de rechtbank de homologatie weigeren als schuldeisers niet de mogelijkheid hebben gehad te kiezen voor een uitkering in contanten ter hoogte van het bedrag dat aan hen zou zijn uitgekeerd bij een faillissement. Deze afwijzingsgrond is bijvoorbeeld aan de orde als aan schuldeisers aandelen wordt aangeboden in ruil voor hun vordering (debt for equity swap). Sub d houdt een bij amendement ingevoerde uitzondering in op sub c ten aanzien van een bedrijfsmatige financier aan wie pand- of hypotheekrechten zijn verstrekt. Deze financier heeft geen recht op een uitkering in geld, omdat het vaak gaat om grote bedragen en een dergelijke verplichting ertoe kan leiden dat de totstandkoming van het akkoord wordt geblokkeerd.6 Wel wordt op grond van sub d de homologatie geweigerd als een dergelijke financier slechts aandelen of certificaten van aandelen krijgt aangeboden, zonder de mogelijkheid te hebben te kiezen voor een uitkering in een andere vorm.
Schuldeisers die het verzoek willen doen de homologatie van het akkoord te weigeren, moeten hun bezwaren tegen de homologatie binnen bekwame tijd nadat zij de afwijzingsgrond hebben ontdekt of redelijkerwijs hadden kunnen ontdekken, bekendmaken aan degene die het akkoord aanbiedt (art. 383 lid 9 Fw). De reden hiervoor is dat de akkoordaanbieder dan nog de mogelijkheid heeft het akkoord aan te passen naar aanleiding van de bezwaren, terwijl de homologatie in beginsel wordt geweigerd als de bezwaren terecht zijn opgeworpen.7 De consequentie van het niet (tijdig) melden is dat de schuldeiser niet ontvankelijk is in zijn verzoek.8 De schuldeiser die een verzoek tot afwijzing van het homologatieverzoek heeft ingediend, moet op grond van artikel 384 lid 7 Fw door de rechtbank in de gelegenheid worden gesteld een zienswijze te geven voordat de rechtbank een beslissing neemt op het homologatieverzoek. Schuldeisers hoeven zich bij de indiening van het verzoek niet te laten bijstaan door een advocaat,9 maar zijn wel griffierecht verschuldigd (art. 19a lid 3 Wet griffierechten burgerlijke zaken (Wgbz)).
De rechtbank kan het homologatieverzoek toewijzen of afwijzen. De rechtbank heeft niet de bevoegdheid het akkoord te wijzigen.10 In de wet is ook niet (expliciet) de mogelijkheid opgenomen dat de akkoordaanbieder het akkoord wijzigt naar aanleiding van eventuele bezwaren van de rechtbank tegen homologatie.11 Als de rechtbank het akkoord homologeert, dan zijn alle stemgerechtigde schuldeisers gebonden aan het akkoord, ook de schuldeisers die geen stem hebben uitgebracht (art. 385 Fw). Wijst de rechtbank het homologatieverzoek af, dan kan de schuldenaar gedurende drie jaar geen WHOA-akkoord aanbieden. Het blijft wel mogelijk dat een nieuw akkoord wordt aangeboden door een herstructureringsdeskundige (art. 369 lid 5 Fw).