Einde inhoudsopgave
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/7.10.7.1
7.10.7.1 Punitive damages als civil obligation en criminal charge in de zin van artikel 6 EvRm?
mr.dr. E.J. Zippro, datum 29-09-2009
- Datum
29-09-2009
- Auteur
mr.dr. E.J. Zippro
- JCDI
JCDI:ADS577524:1
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / Toezicht en handhaving
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Voetnoten
Voetnoten
Adriaanse, Barkhuysen, Den Houdijker & Zippro 2008, p. 280.
Adriaanse, Barkhuysen, Den Houdijker & Zippro 2008, p. 280.
EHRM 25 oktober 2005, zaaknr. 68890/01 (BlakeNerenigd Koninkrijk), r.o. 96-100.
McDougall & Verzariu 2008, p. 181-184, p. 183.
Adriaanse, Barkhuysen, Den Houdijker & Zippro 2008, p. 280-281.
Zie ook EHRM 8 juni 1976, zaaknrs. 5100/71; 5101/71; 5102/71; 5354/72 en 5370/72, NJ 1978, 223 m.nt. Meuwissen bij NJ 1978, 224(Engel e.a./Nederland); EHRM 21 februari 1984, zaaknr. 8544/79, NJ 1988, 937, m.nt. Alkema bij NJ 1988, 938; AA 1985, p. 145-154, m.nt. Swart Ozttirlcffluitsland).
EHRM 21 februari 1984, zaaknr. 8544/79, NJ 1988, 937, m.nt. Alkema bij NJ 1988, 938; AA 1985, p. 145-154, m.nt. Swart Ozttirlcffluitsland).
EHRM 23 november 1976, zaaknrs. 5100/71; 5101/71; 5102/71; 5354/72 en 5370/72, NJ 1978, 224 m.nt. Meuwissen (Engel e.a./Nederland); EHRM 28 juni 1984, zaaknrs. 7819/77 en 7878/77 (Campbell and Fell); EHRM 23 maart 1994, zaaknr. 14220/88 (Ravnsborg).
Adriaanse, Barkhuysen, Den Houdijker & Zippro 2008, p. 281.
Zie ook EHRM 21 februari 1984, zaaknr. 8544/79, NJ 1988, 937, m.nt. Alkema bij NJ 1988, 938; AA 1985, p. 145-154, m.nt. Swart (Ozttirlc/Duitsland), r.o. 52.
Het derde criminal charge-criterium speelt alleen een zelfstandige rol ingeval op basis van de eerste twee criteria niet gesteld kan worden dat een sanctie een criminal karakter heeft, maar waar de sanctie dusdanig zwaar is, dat om die reden toch van een criminal charge gesproken moet worden. Zie Adriaanse, Barkhuysen, Den Houdijker & Zippro 2008, p. 281. Zie EHRM 8 juni 1976, zaaknrs. 5100/71; 5101/71; 5102/71; 5354/72 en 5370/72, NJ 1978/ 223 (Engel e.a./Nederland), m.nt. Meuwissen bij NJ 1978/224, r.o. 85.
EHRM 25 augustus 1987, zaaknr. 9912/82, NJ 1988, 938 m.nt. EAA (Lutz/Duitsland).
EHRM 24 februari 1994, zaaknr. 12547/86, NJ 1994, 496 m.nt. EAA (Bendenoun/Frankrijk).
EHRM 23 november 2006, zaaknr. 73053/01, AB 2007, 51 m.nt. Barkhuysen en Van Emmerik (Jussila/Finland); Adriaanse, Barkhuysen, Den Houdijker & Zippro 2008, p. 281.
Adriaanse, Barkhuysen, Den Houdijker & Zippro 2008, p. 281, voetnoot 53.
Adriaanse, Barkhuysen, Den Houdijker & Zippro 2008, p. 281.
Bolt & Lensing 1993, p. 58-59; Boot 2008, p. 200-208, p. 204-205 (voor de transparantie dient hier vermeld te worden dat ik als scriptiebegeleider bij de totstandkoming van de in Ars Aequi gepubliceerde afstudeerscriptie van J. Boot betrokken was). Adriaanse, Barkhuysen, Den Houdijker & Zippro wijzen er overigens op dat dezelfde benadering bij deze auteurs niet leidt tot eenzelfde resultaat. Zo nemen Bolt & Lensing aan dat (soms) wel sprake kan zijn van een criminal charge, terwijl Boot aanneemt dat er geen sprake is van een criminal charge. Zie Adriaanse, Barkhuysen, Den Houdijker & Zippro 2008, p. 281, voetnoot 55.
Zie Adriaanse, Barkhuysen, Den Houdijker & Zippro 2008, p. 281-282.
Zie onder meer EHRM 27 februari 1980, zaaknr. 6903/75, NJ 1980, 561 (Deweer/België), r.o. 46; EHRM 10 december 1982, zaaknrs. 7604/76; 7719/76; 7781/77 en 7913/77, NJ 1987, 828, m.nt. van Dijk (Foti e.a./Italië). Vgl. Bolt & Lensing 1993, p. 59.
Bolt & Lensing 1993, p. 59.
Adriaanse, Barkhuysen, Den Houdijker & Zippro 2008, p. 281.
EHRM 21 februari 1984, zaaknr. 8544/79, NJ 1988, 937, m.nt. Alkema bij NJ 1988, 938; AA 1985, p. 145-154, m.nt. Swart ((zttirlc/Duitsland), r.o. 49.
EHRM 10 december 1982, zaaknrs. 7604/76; 7719/76; 7781/77 en 7913/77, NJ 1987, 828, m.nt. van Dijk (Foti e.a./Italië), r.o. 52.
EHRM 27 februari 1980, zaaknr. 6903/75, NJ 1980, 561(Deweer/België). Zie ook EHRM 26 maart 1982, zaaknr. 8269/78 (Adolf/Oostenrijk), r.o. 30.
Adriaanse, Barkhuysen, Den Houdijker & Zippro 2008, p. 282.
EHRM 21 december 2000, zaaknr. 36887/97, EHRC 2001, 18 (Quinn/lerland), r.o. 41.
EHRM 25 maart 1983, zaaknr. 8660/79, NJ 1986, 698 m.nt. EAA (Minelli/Zwitserland), r.o. 28. Hoewel het EHRM overwoog dat de procedure in de Minelli-zaak voor het overige strafrechtelijk genormeerd was en dat er strafrechtelijke sancties konden worden opgelegd, is in BlakeNerenigd Koninkrijk duidelijk geworden dat het civielrechtelijke karakter van een procedure op zichzelf niet voldoende is om het bestaan van een criminal charge op voorhand af te wijzen. Zie Adriaanse, Barkhuysen, Den Houdijker & Zippro 2008, p. 282.
Adriaanse, Barkhuysen, Den Houdijker & Zippro 2008, p. 282.
In artikel 6 $$EVRM staan in de Engelse verdragstekst de begrippen civil rights and obligations en criminal charge centraal. Voor de toepasselijkheid van artikel 6 lid 1 $$EVRM dient een punitieve privaatrechtelijke vordering te worden aangemerkt als een civil obligation voor diegene die met een dergelijke vordering wordt geconfronteerd.1 Nu toewijzing van de vordering leidt tot de verplichting om een geldsom te betalen (civil obligation) is artikel 6 lid 1 $$EVRM van toepassing.
Het is niet denkbeeldig dat punitive damages door het $$EHRM worden gezien als een criminal charge in de zin van artikel 6 $$EVRM. Indien punitive damages als criminal charge worden gezien, zouden ook het tweede en derde lid van artikel 6 $$EVRM van toepassing zijn en zouden er strengere procedurele eisen gelden.2 In de ontvankelijkheidsbeslissing Blake/Verenigd Koninkrijk heeft het $$EHRM zich uitgesproken over de vraag of het opleggen van een privaatrechtelijke boete een criminal charge betreft.3 Het ging in deze zaak om de verplichting van Blake tot betaling van restitutionary damages. De hoogte van restitutionary damages wordt gebaseerd op het voordeel dat iemand heeft genoten als gevolg van een schending van een norm.4 De verplichting tot betaling van restitutionary damages werd in die zaak als civil obligation en niet als criminal charge aangemerkt. Hierbij dient echter de kanttekening te worden geplaatst dat de boete een direct gevolg was van door Blake gepleegde contractbreuk. Daarnaast speelde de civielrechtelijke context van het geschil geen doorslaggevende rol bij de kwalificatie van de verplichting tot betaling van restitutionary damages als civil obligation (en niet als criminal charge). De ontvankelijkheidsbeslissing in Blake/Verenigd Koninkrijk verzet zich er dan ook niet tegen om buitencontractuele verplichtingen tot betaling van punitive damages als criminal charge aan te merken.5
Het feit dat punitive damages door de wetgever civielrechtelijk van aard worden geacht, is niet doorslaggevend. Het $$EHRM hanteert een autonome uitleg van het begrip criminal charge en bepaalt aan de hand van drie criteria de vraag of sprake is van een criminal charge in de zin van artikel 6 EVRM.6 Ten eerste is van belang of de tekst die de overtreding definieert in de betreffende staat tot het strafrecht behoort. Dit criterium is echter niet doorslaggevend. Ten tweede is het karakter (of de aard) van de overtreding van belang.7 Ten derde zijn het karakter (of de aard) en de zwaarte van de sanctie die de betrokken persoon riskeert van belang.8
Voor het vaststellen van het karakter van de overtreding dient te worden onderzocht of de overtreding een norm betreft die voor alle burgers bindend is.9 Tevens moet worden vastgesteld of de overtreding bestraft wordt met een sanctie met een deterrent and punitive karakter. Het karakter van de overtreding is sterk verbonden met het karakter van de straf.10
Voor het vaststellen van het karakter van de privaatrechtelijke boete is in de eerste plaats relevant ten behoeve van de overtreding van welke normen de privaatrechtelijke boete wordt opgelegd. Ingeval de boete gebruikt wordt om de naleving van algemeen geldende (publiek- dan wel civielrechtelijke) normen te verzekeren, bestaat er aanleiding om de privaatrechtelijke boete als criminal aan te merken. Punitive damages hebben naar hun aard een deterrent and punitive karakter. Op basis van het tweede criminal charge-criterium moeten punitive damages dan ook als criminal in de zin van artikel 6 EVRM worden aangemerkt.
De hoogte van een boete vormt (een deel van) het derde en laatste criminal charge-criterium. Volgens de rechtspraak van het EHRM kan het derde criminal charge-criterium geen afbreuk meer doen aan het bestraffende karakter van de boete in kwestie, nu op grond van het tweede criterium is geconcludeerd dat punitive damages als criminal in de zin van artikel 6 EVRM moeten worden aangemerkt.11 Het EHRM beschouwt het karakter van de overtreding en het karakter en de zwaarte van de sanctie die de betrokken persoon riskeert als alternatief.12 Voor het van toepassing zijn van het tweede en derde lid van artikel 6 EVRM is het voldoende dat de overtreding in karakter criminal is of dat het karakter en de zwaarte van de sanctie die de betrokken persoon riskeert tot de strafrechtelijke sfeer behoren. Ook een zekere optelling van een aantal factoren die onder beide criteria zijn onder te brengen kan een overtreding criminal maken.13
Bij de hoogte van de boete dient wel rekening te worden gehouden met het feit dat het EHRM in Jussila heeft geoordeeld dat voor wat betreft de oplegging van lichte sancties die kunnen worden beschouwd als een criminal charge voor feiten die niet tot de harde kern van het strafrecht behoren, gedifferentieerd kan worden in de mate waarin de waarborgen van artikel 6 EVRM volledig van toepassing zijn.14 Het mededingingsrecht wordt in Jussila genoemd als een rechtsgebied dat niet tot de harde kern van het strafrecht behoort en waarbinnen dus niet alle rechtswaarborgen van artikel 6 EVRM onverminderd hoeven te gelden.15 Het is echter niet duidelijk waaruit de concrete bescherming dan zal moeten bestaan.16
Punitive damages kunnen weliswaar onder de aanduiding criminal vallen, maar vallen ze ook onder de aanduiding charge? In de literatuur hebben enkele auteurs bij de beantwoording van de vraag of de verplichting tot het betalen van punitive damages moet worden gezien als een criminal charge, de begrippen criminal en charge strikt gescheiden.17 Zij achten de invulling van het charge-begrip problematisch nu naar hun mening geen handeling vanwege de staat wordt verricht wanneer de ene private partij van de andere private partij de betaling van punitive damages vordert.18 Het instellen van een civiele vordering lijkt op het eerste gezicht ook niet te kunnen worden gekwalificeerd als een 'official notification given to an individual by the competent authority of an allegation that he has committed a criminal offence', zoals het EHRM het uitdrukt.19 Wel zou kunnen worden gesproken van een andere maatregel die een dergelijke beschuldiging inhoudt en op gelijke wijze in een aanzienlijke mate de situatie van de verdachte raakt. In een dergelijk geval is volgens het EHRM ook sprake van een charge. Bolt & Lensing beschouwen die maatregel dan als het indienen van de vordering door de eiser of, indien een gedraging vanwege de staat wordt vereist, als het ter beschikking stellen door de staat van de faciliteiten voor de toewijzing van de vordering.20
Adriaanse, Barkhuysen, Den Houdijker & Zippro hebben hun bedenkingen bij een strikt gescheiden interpretatie van de begrippen criminal en charge. Een dergelijke strikt gescheiden interpretatie van beide begrippen doet geen recht aan de door het EHRM gehanteerde strategische interpretatie van het criminal charge-begrip.21 Deze strategische interpretatie heeft het EHRM gekozen om ervoor te zorgen dat staten hun verplichtingen onder artikel 6EVRM niet kunnen ontlopen door sanctiebepalingen buiten het strafrecht te plaatsen.22
Voor een strategische interpretatie van het begrip charge (de officiële mededeling dat iemand wordt verdacht van een overtreding of een andere maatregel waaruit blijkt dat op betrokkene een dergelijke verdenking rust)23 kan in de eerste plaats steun worden gevonden in de vaste overweging van het EHRM dat het er de voorkeur aan geeft het begrip charge niet formeel, maar materieel in te vullen. Het EHRM overweegt in de zaak Deweer (r.o. 44):
'(...) the prominent place held in a democratic society by the right to a fair trial (...) prompts the Court to prefer a "substantive", rather than a "formal", conception of the "charge" contemplated by Artide 6 par. 1 (art. 6-1). The Court is compelled to look behind the appearances and investigate the realities of the procedure in question.'24
Adriaanse, Barkhuysen, Den Houdijker & Zippro wijzen op het feit dat in de Deweer-zaak geen sprake was van een strafrechtelijk onderzoek. Deweer was niet gearresteerd en had tevens geen officiële aankondiging van een op handen zijnde vervolging ontvangen. Dit alles stond er niet aan in de weg om te concluderen dat wel sprake was van een charge. Het EHRM vond het kennelijk voldoende dat Deweer consequent werd aangemerkt als 'overtreder' en als iemand die zijn 'vervolging' kon voorkomen door betaling van een afkoopsom.25
In de tweede plaats pleit voor een meer strategische benadering het oordeel van het EHRM dat eveneens sprake kan zijn van een charge in de zin van artikel 6EVRM wanneer iemands positie 'has been substantially affected'.26 Bij door een civiele partij gevorderde, maar uiteindelijk door de rechter opgelegde punitive damages is hiervan sprake.
In de derde plaats doet het feit dat de procedure in gang wordt gezet door een civiele partij geen afbreuk aan het charge-element. In de zaak Minelli/ Zwitserland deed het feit dat een smaadprocedure diende te worden opgestart door een klacht van een private partij volgens het EHRM geen afbreuk aan het strafrechtelijke karakter van de procedure.27
Op grond van de hiervoor besproken punten bestaan er goede gronden om het opleggen van de verplichting tot betaling van punitive damages te beschouwen als een criminal charge. Adriaanse, Barkhuysen, Den Houdijker & Zippro wijzen hierbij nog op het feit dat men
'ten aanzien van het charge-begrip in het bijzonder niet uit het oog dient te verliezen dat het uiteindelijk de overheid in de vorm van de wetgever is die de mogelijkheid van een privaatrechtelijke boete creëert en het de overheid in de vorm van de rechter is die tot betaling van de boete kan verplichten. Bovendien vertoont het uitbrengen van de dagvaarding door een deurwaarder waarmee een civiele procedure een aanvangt neemt, parallellen met het begin van een strafrechtelijke procedure. Er is sprake van een officiële notificatie door een semi-overheidsorgaan waaruit blijkt dat iemand "verdacht" wordt van een normovertreding waarop een punitieve sanctie staat.'28