Het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel
Einde inhoudsopgave
Het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel (FM nr. 170) 2021/5.5.1.b:5.5.1.b Artikel 47 van het Handvest
Het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel (FM nr. 170) 2021/5.5.1.b
5.5.1.b Artikel 47 van het Handvest
Documentgegevens:
Anneke Els Keulemans, datum 01-08-2021
- Datum
01-08-2021
- Auteur
Anneke Els Keulemans
- JCDI
JCDI:ADS362937:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Beroepsfase
Fiscaal procesrecht / Procesorde
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Fiscaal bestuursrecht / Bezwaarfase
Europees belastingrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor de codificatie van het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel in het Handvest ook: Keulemans 2016A onder 3.3.
Zie bijvoorbeeld: HvJ 15 mei 1986, zaak 222/84, (Johnston), punt 18; zaak 222/84; HvJ 15 oktober 1987, 222/86, (Unectef), punt 14; HvJ 3 december 1992, zaak C-97/91, (Oleificio Borelli), punt 14.
Richardson 2017, onder 4.1.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Artikel 47 van het Handvest is geplaatst in het hoofdstuk over rechtspleging en regelt het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht.1 Artikel 47 van het Handvest luidt als volgt:
“Eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, heeft recht op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden.
Eenieder heeft recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Eenieder heeft de mogelijkheid zich te laten adviseren, verdedigen en vertegenwoordigen.
Rechtsbijstand wordt verleend aan degenen die niet over toereikende financiële middelen beschikken, voor zover die bijstand noodzakelijk is om de daadwerkelijke toegang tot de rechter te waarborgen.”
Uit de toelichting bij dit artikel blijkt dat de eerste alinea is gebaseerd op artikel 13 van het EVRM. Volgens het Hof van Justitie is dit Unierechtelijke grondrecht van toepassing op de lidstaten wanneer zij het Unierecht toepassen.2 De tweede alinea correspondeert met artikel 6, eerste lid, van het EVRM. Met betrekking tot de derde alinea zij erop gewezen dat volgens de jurisprudentie van het EHRM in rechtsbijstand moet worden voorzien wanneer de afwezigheid van een dergelijke voorziening de garantie van een doeltreffende voorziening in rechte ontwricht. De overwegingen in de zaak WebMindLicenses laten zien dat artikel 47 enkel ziet op de fase bij de rechter en niet op de administratieve fase ervoor.3 Artikel 47 van het Handvest is daarom niet relevant voor het kenbaarmakingsbeginsel, omdat het kenbaarmakingsbeginsel niet van toepassing is op de rechterlijke fase. Dit wil niet zeggen dat belanghebbende geen hoorrecht heeft in de rechterlijke fase, maar dat recht is geen onderwerp van dit onderzoek.