Einde inhoudsopgave
Grenzen van het strafrecht in de voorfase (SteR nr. 60) 2023/4.2.1
4.2.1 Inleiding
mr. E.A.J. Nab, datum 12-01-2023
- Datum
12-01-2023
- Auteur
mr. E.A.J. Nab
- JCDI
JCDI:ADS715488:1
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Corstens 1984, p. 24. Daarbij moet wel worden bedacht dat de formele kenmerken van rechtsgebieden ook kunnen veranderen. Zie ook §4.4.4.
De Hullu 2021, p. 17; Kelk/De Jong 2019, p. 155.
Minkkinen 2006, p. 524; Pompe 1945, p. 52. Zelfs als nieuwe strafbaarstellingen slechts bij gekwalificeerde meerderheid zouden kunnen worden aangenomen (vgl. Böse 2011, p. 43), volstaat dat niet. Het enkele feit dat een grote meerderheid vóór een bepaalde vrijheidsinperking is, wil niet zeggen dat de inperking vanuit liberaal oogpunt ook gerechtvaardigd is.
Ouwerkerk 2012, p. 230; Yoon 2001, p. 99-100; Groenhuijsen & Van der Landen 1990, p. 13; Van de Bunt 1989, p. 13; Strijards 1986, p. 31-32.
Het ultimum remedium-beginsel maakt onderscheid tussen het strafrecht en andere vormen van handhaving. Het ligt daarom bij het achterhalen van de ratio achter het beginsel voor de hand te kijken naar wat het strafrecht onderscheidt van andere vormen van handhaving.1 Vanuit liberaal oogpunt heeft het strafrecht als voornaamste problematische kenmerkende eigenschappen dat het leedtoevoegend (§4.2.1.1) en dwingend (§4.2.1.2) van aard is.2 Vanuit liberaal oogpunt is het aantasten van vrijheden en het toebrengen van leed moreel problematisch, ongeacht of dat via democratisch gelegitimeerde instituties geschiedt.3 Dat sluit aan op de klassiek liberaal-rechtstatelijke gedachte dat overheidsmacht beperkt moet blijven.4 Daarnaast is er vanuit liberaal oogpunt veel aandacht voor het stigmatiserende effect dat van het strafrecht uitgaat (§4.2.1.3). Dat alles heeft de nodige invloed op de manier waarop de liberaal het ultimum remedium-beginsel uitlegt en toepast (§4.2.1.4).
4.2.1.1 Leedtoevoeging4.2.1.2 Dwang4.2.1.3 Stigmatisering4.2.1.4 Reikwijdte van het ultimum remedium-beginsel