Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken
Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/13.3.5.1.2:13.3.5.1.2 De grondslagkoppeling en de boetegrondslag
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/13.3.5.1.2
13.3.5.1.2 De grondslagkoppeling en de boetegrondslag
Documentgegevens:
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940715:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 9.3.3.3.1.
Vanzelfsprekend alleen in de gevallen waarin de techniek van de grondslagkoppeling aan de orde is.
Zie paragraaf 9.3.3.3.1 en paragraaf 16.5.1.
Zie paragraaf 9.3.1.
HR 18 januari 2008, V-N 2008/6.4, BNB 2008/165, NTFR 2008/157, zie met name r.o. 3.6.5.
Als ik het goed zie, verwacht de Redactie Vakstudie-Nieuws dat ook, zie de Aantekening bij HR 3 februari 2023, V-N 2023/8.13.
Zie paragraaf 9.3.3.3.1.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Voor wat betreft het bestanddeel van het kale beboetbare feit is het volgende van belang. Zoals ik eerder heb verdedigd, heeft de grondslagkoppeling tot gevolg dat de omvang van de heffing, in de hoedanigheid van boetegrondslag, volwaardig onderdeel is geworden van de delictsomschrijving.1 Mijn opvatting over de grondslagkoppeling leidt er – in combinatie met de rechtsregel uit het arrest van 8 april 2022 – dus toe dat de inspecteur in de sfeer van de boete ook de omvang van de heffing naar de gradatie ‘buiten redelijke twijfel’ moet bewijzen.2 Dat kan uiteraard voor verschillen zorgen tussen de sfeer van de heffing, waar de inspecteur kan volstaan met ‘aannemelijk maken’. Volgens de Hoge Raad is de omvang van de (alsnog) verschuldigde belasting echter geen element van de delictsomschrijving, maar slechts een factor die de strafmaat mede bepaalt.3 De strafmaat valt buiten het bereik van de onschuldpresumptie,4 zodat de zware gradatie ter zake daarvan geen rol speelt. Dat zou betekenen dat de hoogte van de boete zonder meer gebaseerd kan worden op bijvoorbeeld positieve heffingscomponenten die de inspecteur in de sfeer van de heffing ‘slechts’ aannemelijk heeft gemaakt. In de opvatting van de Hoge Raad geldt de onschuldpresumptie alleen voor de omstandigheid dát (enig bedrag) te weinig is geheven of betaald. De vraag naar de hoogte van de boete is volgens de Hoge Raad een zuivere strafmaatkwestie, ook als die hoogte rechtstreeks gebaseerd wordt op het bedrag aan heffing.5 Ik verwacht dus dat de Hoge Raad na het arrest van 8 april 2022 alleen vereist dat de inspecteur buiten redelijke twijfel bewijst dat er enig bedrag aan belasting ten onrechte buiten de heffing is gebleven.6 Die opvatting acht ik evenwel onjuist.7 Vanwege de techniek van de grondslagkoppeling is de omvang van de heffing (in de hoedanigheid van boetegrondslag) in mijn opvatting onderdeel geworden van de centrale stellingen. De inspecteur moet daarom de gehele boetegrondslag naar de zware gradatie bewijzen.