Einde inhoudsopgave
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/6.9.5
6.9.5 Tenietgaan hoofdvordering door betaling 403-vordering
mr. dr. J. van der Kraan, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
mr. dr. J. van der Kraan
- JCDI
JCDI:ADS649053:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Broekveldt 2003, par. 4.3.5.3.
Parl. Gesch. Wijz. Rv, p. 163-164.
In dat geval kan de derde zich op basis van artikel 6:33 BW verhalen op de debiteur, voor zover de derde dubbel heeft betaald. Artikel 6:33 BW luidt als volgt: “Is de betaling gedaan in weerwil van een beslag of terwijl de schuldeiser wegens een beperkt recht, een bewind of een soortgelijk beletsel onbevoegd was haar te ontvangen, en wordt de schuldenaar deswege genoodzaakt opnieuw te betalen, dan heeft hij verhaal op de schuldeiser.”
Parl. Gesch. Wijz. Rv, p. 164.
Broekveldt 2003, par. 4.3.5.3, nr. 169.
Broekveldt 2003, par. 4.3.5.3, nr. 169.
Broekveldt merkt in voetnoot 11 op dat geen enkele andere auteur ingaat op de vraag wie onder deze categorie van ‘derden’ of ‘anderen’ dienen te worden verstaan. Er is dus in principe volstrekte onduidelijkheid op dit vlak, zie Broekveldt 2003, par. 4.3.5.3, nr. 169
Een precaire situatie kan zich voordoen onder de volgende omstandigheden:
Figuur 22
X levert grondstoffen aan Y. Y produceert en levert goederen aan Dochter BV. X heeft een vordering op Y. Aangezien Y in gebreke blijft met zijn betalingen aan X, legt X beslag op de vordering die Y heeft op zijn vaste handelspartner, Dochter BV. Wat X niet heeft bedacht, is dat Moeder BV een 403-verklaring heeft afgegeven. X heeft daarom geen beslag gelegd op de 403-vordering. Vervolgens kunnen er zich twee situaties voordoen. Y spreekt Moeder BV aan om de 403-vordering te voldoen of Moeder BV gaat uit zichzelf over tot het voldoen van de 403-vordering. Op basis van de regels van de hoofdelijkheid geldt dat wanneer aan een van de vorderingsrechten wordt voldaan, het andere vorderingsrecht tenietgaat. X die veronderstelt zekerheid te hebben doordat hij beslag heeft gelegd op de hoofdvordering ziet zijn verhaalsobject voor zijn neus verdwijnen. Y kan het geld dat hij van Moeder BV ontvangt via de achterdeur wegsluizen.
Het bestaan van twee afzonderlijke vorderingsrechten zal mogelijk niet altijd door X onderkend worden. Niet zelden wordt een 403-vordering als zekerheid bij de hoofdvordering beschouwd. Evenals bij het treffen van een schikking kan het niet onderkennen van de 403-vordering als een zelfstandig vorderingsrecht bij het leggen van beslag tot vervelende situaties leiden.
Zoals in de vorige paragraaf uiteen is gezet, belet het beslag dat de derdebeslagene na kan komen jegens de schuldenaar. In bovenstaande situatie is Moeder BV echter geen derde-beslagene. Moeder BV is in het geheel niet bij de beslaglegging betrokken. Dit brengt tevens met zich dat Moeder BV niet, zoals Dochter BV de als derde-beslagene heeft te gelden, het recht heeft om haar betaling aan Y op te schorten en kan Moeder BV mogelijk rente verschuldigd raken als zij niet tijdig aan Y betaalt. Bij borgtocht kan de borg tevens een beroep doen op het opschortingsrecht van de hoofdschuldenaar. Bij hoofdelijke aansprakelijkheid is dit niet het geval. Hoofdelijk gebonden schuldenaren kunnen in principe alleen een beroep doen op de verweermiddelen die hen zelf toekomen. De hoofdregels van hoofdelijkheid lijken hier tot een minder bevredigende uitkomst te leiden. Wanneer de 403-aansprakelijkheid het karakter van borgtocht zou hebben, zou de rechtspersoon die de 403-verklaring heeft afgegeven haar betaalverplichting kunnen opschorten en zou het gelegde beslag kunnen worden gerespecteerd.
Het 403-regime wordt veelvuldig toegepast maar aan het leggen van beslag op zowel de hoofdvordering als ook op de 403-vordering wordt niet altijd gedacht. Daarin schuilt uiteraard het risico dat de rechtspersoon die de 403-verklaring heeft afgegeven op een gegeven moment overgaat tot het voldoen van de 403-vordering teneinde zichzelf en de vrijgestelde rechtspersoon van de schuld te bevrijden. De vraag is of artikel 475h lid 1 Rv voor deze precaire situatie een oplossing biedt. Artikel 475h lid 1 Rv luidt als volgt:
Artikel 475h lid 1 Rv
Een vervreemding, bezwaring, afstand of onderbewindstelling van een door het beslag getroffen vordering, tot stand gekomen nadat het beslag is gelegd, kan niet tegen de beslaglegger worden ingeroepen. Hetzelfde geldt voor een in weerwil van het beslag gedane betaling of afgifte, tenzij de derde heeft gedaan wat redelijkerwijs van hem kon worden gevergd om de betaling of afgifte te voorkomen.
In de literatuur1 wordt beschreven dat de tweede volzin van artikel 475h lid 1 Rv geen rechtstreekse betrekking heeft op de positie van de schuldenaar ten laste van wie het beslag wordt gelegd (in de situatieschets: Y). In de memorie van toelichting wordt beschreven waar artikel 475h lid 1 Rv op ziet:2
“op handelingen van andere aard, nl. op de voldoening of afgifte waarmee de derde of een ander de in beslag genomen vordering zou kunnen doen teniet gaan of de in beslag genomen zaken weer in handen van de geëxecuteerde zou brengen.”
Dat het hier de positie betreft van een derde partij die mogelijk het beslag frustreert, is duidelijk. Wanneer een derde in weerwil van het gelegde beslag aan de schuldenaar betaalt, kan deze betaling niet aan de beslaglegger worden tegengeworpen. Wanneer de derde een dergelijke betaling toch verricht, kan de beslaglegger van hem vorderen dat hij opnieuw betaalt.3 Uit artikel 475h lid 1 Rv volgt daarom de verplichting voor de derde4 om het beslagen goed (vordering of roerende zaak) ’onder zich te houden’.5
De vraag is wat moet worden verstaan onder betaling of afgifte door “een ander” zoals genoemd in artikel 475h Rv. Gaat het dan alleen om de derde-beslagene (in de situatieschets de dochtervennootschap)? Of betreft het ook andere partijen, zoals de rechtspersoon die de 403-verklaring heeft afgegeven onder wie geen derdenbeslag is gelegd? Uit de Memorie van Toelichting6 kan worden afgeleid dat de wetgever niet alleen de derde-beslagene in het vizier had maar ook “een ander de in beslag genomen vordering zou kunnen doen teniet gaan of de in beslag genomen zaken weer in handen van de geëxecuteerde zou brengen”. In de literatuur7 is vervolgens de vraag gesteld aan welke ‘ander’ daarbij gedacht moet worden, aangezien de wetgever daar verder niets over zegt. In dat kader wordt opgemerkt dat – hoewel de wet ook op dit punt niet duidelijk is – het niet logisch is dat de sanctie van artikel 6:33 BW ook op een ander dan de derde-beslagene kan worden toegepast. Geredeneerd wordt dat onder deze ander geen beslag is gelegd, zodat deze ander niet zelf in weerwil van het beslag zoals bedoeld in artikel 475h lid 1 Rv en artikel 6:33 BW heeft betaald of beslagen goederen heeft afgegeven. Wordt die beredenering gevolgd, dan is de vraag welke groep van anderen er dan nog overblijft. In de literatuur wordt geopperd dat bijvoorbeeld kan worden gedacht aan:8
“een situatie waarin die ‘ander’ met de derdebeslagene moet worden vereenzelvigd , of aan een geval dat die ‘ander’ krachtens volmacht of anderszins – bijv. omdat hij zélf een schuld aan de derde-beslagene heeft – voor en namens deze aan de beslagdebiteur betaalt.”
Voorts wordt ten aanzien van hoofdelijk verbonden schuldenaren opgemerkt:9
“Mogelijk kan hier ook nog worden gedacht aan de situatie dat de ‘ander’ samen met de derde-beslagene jegens de beslagdebiteur hoofdelijk verbonden is dezelfde schuld te voldoen (art. 6:6 lid 2). In al deze gevallen zal betaling of afgifte door die ‘ander’, wil de beslaglegger de derde-beslagene overeenkomstig art. 6:33 kunnen noodzaken ‘opnieuw te betalen’, in die zin aan de derde moeten kunnen worden toegerekend dat deze rechtens geldt als een door hém gedane betaling of afgifte.”
Ten aanzien van dit vraagstuk is mij geen verdere literatuur of jurisprudentie bekend. Dat doet de vraag rijzen of zich in de praktijk problemen op dit vlak voordoen of dat dit vraagstuk in de praktijk (nog) niet wordt gesignaleerd. De conclusie is dat de hoofdelijkheid die afzonderlijke vorderingsrechten creëert ten aanzien van dezelfde schuld, in het kader van beslag een onduidelijke situatie oplevert. Het is allerminst duidelijk wat de positie van de rechtspersoon die de 403-verklaring heeft afgegeven in een dergelijk geval is. Kan zij worden aangemerkt als een derde die het onder de vrijgestelde rechtspersoon gelegde derdenbeslag niet mag frustreren, met als sanctie de gehoudenheid om opnieuw aan de beslaglegger te moeten betalen op basis van artikel 6:33 BW? Of dient zij gewoon na te komen, omdat zij geen recht heeft om haar prestatie op te schorten en anders mogelijkerwijs rente (of boetes) verschuldigd raakt wegens niet of te laat nakomen?