De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland
Einde inhoudsopgave
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/5.7.5.4:5.7.5.4 Het opleggen van administratieve maatregelen en sancties op basis van een subsidieovereenkomst
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/5.7.5.4
5.7.5.4 Het opleggen van administratieve maatregelen en sancties op basis van een subsidieovereenkomst
Documentgegevens:
Mr. J.E. van den Brink, datum 13-12-2012
- Datum
13-12-2012
- Auteur
Mr. J.E. van den Brink
- JCDI
JCDI:ADS397283:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 3.10 van de Gids voor de nationale agentschappen Een Leven Lang Leren.
Deze termijn van vijf jaar is gebaseerd op punt 14 van de bijlage bij het besluit 1720/2006. Deze vijfjaars-termijn kan er wel toe leiden dat terugvordering niet meer mogelijk is op grond van de verjaringstermijn van vier jaar neergelegd in de Verordening nr. 2988/95.
Zie hieromtrent ook paragraaf 5.3.6.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Voor Een Leven Lang Leren en Jeugd in Actie geldt dat in artikel 119 van het Financieel Reglement is bepaald dat de subsidie wordt opgeschort, verlaagd of ingetrokken indien de begunstigde zijn verplichtingen niet nakomt. De begunstigde moet wel in de gelegenheid worden gesteld zijn opmerkingen te formuleren. Deze bepaling is uitgewerkt in artikel 183 van de Commissieverordening nr. 2342/02. Verlaging of terugvordering van de Europese subsidie door de ordonnateur kan bijvoorbeeld plaatsvinden indien de actie niet, slecht, gedeeltelijk of laattijdig wordt uitgevoerd en indien de overeenkomstig de subsidieovereenkomst betaalde bedragen hoger zijn dan de kosten die door de begunstigde werkelijk voor de actie zijn gemaakt. Op grond van artikel 114, vierde lid, kunnen doeltreffende, evenredige en afschrikkende administratieve en financiële sancties worden opgelegd aan begunstigden die ten tijde van de indiening van de aanvraag of tijdens de uitvoering van het project valse verklaringen hebben afgelegd bij het verstrekken van inlichtingen of hebben nagelaten deze inlichtingen te verstrekken. In artikel 134ter van voormelde Commissieverordening is vervolgens de bevoegdheid tot uitsluiting en de bevoegdheid tot het opleggen van financiële sancties neergelegd.
Niet duidelijk is in hoeverre voormelde bepalingen rechtstreeks door de nationale agentschappen kunnen worden toegepast. Het Financieel Reglement en de daarbij behorende Commissieverordening bieden daaromtrent geen uitsluitsel. In het besluit van de Europese Commissie van 26 april 2007 betreffende de verantwoordelijkheden van respectievelijk de lidstaten, de Commissie en de nationale agentschappen Een Leven Lang Leren is enkel in de bijlage bepaald dat het nationaal agentschap verantwoordelijk is voor de terugvordering van middelen. In de niet-gepubliceerde Gidsen voor nationale agentschappen zijn wel allerlei verplichtingen opgelegd aan de nationale agentschappen hoe te handelen in geval van onregelmatigheden en fraude.1 In de door de Europese Commissie ter beschikking gestelde contracten is vervolgens neergelegd dat aan een eindontvanger van de Europese subsidie boetes kunnen worden opgelegd in geval van ernstige schendingen van zijn verplichtingen, dat het nationaal agentschap in een aantal gevallen de subsidieovereenkomst kan beëindigen, dat het subsidiebedrag kan worden verlaagd en onverschuldigd betaalde subsidies kunnen worden teruggevorderd. Uit de overeenkomst volgt verder dat tot vijf jaar na betaling van de definitieve subsidie na afloop van het project kan worden gecontroleerd, hetgeen kan leiden tot terugvorderingen door het nationaal agentschap.2 Het staat mijns inziens op gespannen voet met het legaliteitsbeginsel indien een nationaal agentschap louter op basis van de met de eindontvanger van de Europese subsidies gesloten overeenkomst, in combinatie met de bepalingen in het Financieel Reglement en de daarbij behorende Commissieverordening, vergaande bevoegdheden als het opleggen van boetes zou kunnen uitoefenen, zonder dat daarvoor expliciet een grondslag bestaat in het Europese recht.3 Het verdient de voorkeur dat dergelijke bevoegdheden voor de nationale agentschappen in een Europese verordening worden neergelegd. Zolang dit niet het geval is, betekent dit dat voor het opleggen van boetes een grondslag in het nationale recht moet bestaan. Hieromtrent bestaat nog geen jurisprudentie van het Hof van Justitie.