Gewogen rechtsmacht in het IPR
Einde inhoudsopgave
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/5.7.5:5.7.5 Oorlog; Rb. Rotterdam 4 juni 2003, NIPR 2004, 158
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/5.7.5
5.7.5 Oorlog; Rb. Rotterdam 4 juni 2003, NIPR 2004, 158
Documentgegevens:
mr. F. Ibili, datum 28-11-2006
- Datum
28-11-2006
- Auteur
mr. F. Ibili
- JCDI
JCDI:ADS431776:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In Rb. Rotterdam 4 juni 2003, NIPR 2004, 158 ging het om een geschil ter zake van de levering van chemische grondstoffen (!) in 1989 en 1990 door Solvochem Holland BV aan twee in Bagdad (hak) gevestigde ondernemingen, waaronder de National Chemical and Plastic Industry Co. De betaling van de koopprijs zou plaatsvinden door middel van de door Rasheed Bank ten behoeve van Solvochem gestelde onherroepelijke letters of credit. Op 17 april 2002 dagvaardt Solvochem de in Bagdad gevestigde Rasheed Bank voor de Rb. Rotterdam en vordert betaling van bijna $ 4.000.000,-. Solvochem stelt dat de Nederlandse rechter bevoegd is op grond van art. 9 sub c Rv:
`gelet op de omstandigheden in Irak ten tijde van de dagvaarding (17 april 2002) is het onaanvaardbaar om van Solvochem te vergen dat zij de zaak aan het oordeel van de rechter in Irak onderwerpt; mede in het licht van de gespannen verhoudingen tussen de Verenigde Naties (waaronder Nederland) en Irak moet gevreesd worden dat Solvochem in Irak, waar geen vertegenwoordiging van de Nederlandse regering aanwezig is, geen eerlijk proces ten deel zal vallen; de Nederlandse rechter komt mitsdien rechtsmacht toe op grond van art. 9, aanhef en onder c, Rv.'
In de conclusie van antwoord van Solvochem (26 september 2002) is te lezen dat het:
`algemeen bekend is dat de huidige situatie met betrekking tot Irak gespannen is, hetgeen wordt onderstreept door de reële dreiging van een nieuwe oorlog in Irak; het lijdt geen twijfel dat in geval van oorlog alsmede in geval van een reële dreiging van oorlog sprake is van de in artikel 9, aanhef en onder c, Rv vermelde onaanvaardbaarheid om van de eiser te vergen dat hij de zaak aan het oordeel van de rechter in een vreemde staat, in dit geval Irak, onderwerpt'.
Volgens de rechtbank is gesteld noch gebleken dat een andere rechter dan die in Nederland of Irak bevoegd is om van dit geschil kennis te nemen. Er bestaan in casu dus twee relevante fora (Nederland en hak). Nu de eiser in Nederland is gevestigd, wordt de zaak geacht voldoende met de Nederlandse rechtssfeer verbonden te zijn. Ten aanzien van de (on)mogelijkheid om in Irak te procederen overweegt de rechtbank als volgt:
`In de maanden maart en april van dit jaar [2003, Fl] heeft een militaire operatie in Irak plaatsgevonden onder leiding van de Verenigde Staten, als gevolg waarvan het toenmalige bewind zijn gezag over Irak heeft verloren. Nederland heeft aan deze operatie in politieke zin steun verleend. Irak bevindt zich thans [4 juni 2003, Fl] in een proces van politiek-institutionele wederopbouw onder leiding van (onder meer) de Verenigde Staten. Navraag door deze rechtbank omtrent de situatie in Irak bij het ministerie van Buitenlandse Zaken in Den Haag heeft geleerd dat sprake is van een onduidelijke situatie in Irak waar het gaat om onder meer het functioneren van de rechterlijke instanties. Tegen deze, als directe nasleep van een oorlog aan te merken, achtergrond is de rechtbank van oordeel dat het onaanvaardbaar zou zijn om van Solvochem te vergen dat deze de zaak aan het oordeel van een rechter in Irak onderwerpt. Daarmee is voldaan aan de voorwaarde voor de bevoegdheid van de Nederlandse rechter als vermeld onder c van artikel 9 Rv.'
Dit oordeel van de rechtbank lijkt mij juist. Het is niet redelijk van de eiser te vergen dat hij zich aan het oordeel van de Iraakse rechter onderwerpt. Naar valt aan te nemen zou de eiser in hak wel een bevoegd gerecht vinden; de gedaagde heeft er immers zijn plaats van vestiging. De Amerikaanse invasie heeft het gehele land echter ontregeld, waardoor het volgens berichten van het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken onduidelijk is of het rechterlijke apparaat aldaar functioneert. Het valt niet met zekerheid te zeggen of een rechtsgang in Irak feitelijk onmogelijk is, zodat de rechtsmacht van de Nederlandse rechter niet volgt uit art. 9 sub b Rv, maar wel uit art. 9 sub c Rv.1
Interessant is dat de rechtbank een uitzondering maakt op het beginsel van perpetuatio fori. Strikte toepassing van dit beginsel zou erin hebben geresulteerd dat de rechtbank slechts acht slaat op de situatie in Irak bij het inleiden van de procedure op 17 april 2002. Op dat moment was de situatie nog 'gespannen', waardoor het voor de rechtbank lastiger zou zijn geweest om te beoordelen of een procedure in hak bezwaarlijk gevoerd kan worden. Wanneer de rechtbank op 4 juni 2003 vonnis wijst, is Irak bezet en wordt gewerkt aan de stabilisatie en wederopbouw van het land. De bijzondere aard van art. 9 sub c Rv rechtvaardigt een uitzondering op het beginsel van perpetuatio fori.
Één kanttekening is op haar plaats. Nadat de rechtbank heeft geoordeeld dat de uitoefening van een noodbevoegdheid ex art. 9 sub c Rv is gerechtvaardigd, voegt zij daaraan toe dat 'in het midden gelaten [kan] worden of zij tevens bevoegd is op andere gronden, zoals art. 6, aanhef en onder a, jo. art. 109 Rv, nu in ieder geval niet gebleken is dat een ander Nederlands gerecht dan deze rechtbank bevoegd is.' Deze toevoeging is niet juist. De aanhef van art. 9 Rv maakt duidelijk dat de daarin neergelegde fora slechts voor toepassing in aanmerking komen indien geen rechtsmacht volgt uit art. 2-8 Rv. Mitsdien had de rechtbank allereerst moeten beoordelen of haar rechtsmacht toekwam krachtens art. 6 sub a Rv.2