Einde inhoudsopgave
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/4.5.4
4.5.4 Criterium (ii) toezegging is niet zo duidelijk in strijd met een juiste wetstoepassing dat de belastingplichtige op nakoming van die toezegging in redelijkheid niet mocht rekenen
Mr. dr. T.A. Cramwinckel, datum 29-07-2022
- Datum
29-07-2022
- Auteur
Mr. dr. T.A. Cramwinckel
- JCDI
JCDI:ADS661486:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Organisatie Belastingdienst
Voetnoten
Voetnoten
Zie Happé 1996, p. 192-193; Gorissen 2008, 84-85; Poelmann, in: Cursus Belastingrecht FBR.4.3.4.B (bijgewerkt tot 2 februari 2021); Voorbeelden waarin aan het criterium is voldaan: Hof 's-Hertogenbosch 25 november 2011, nr. 11-00340, V-N 2012/17.2, r.o. 4.9; Rechtbank Gelderland 1 december 2016, nr. 15/6831, V-N 2017/14.8, r.o. 10; Hof Den Bosch 8 mei 2008, nr. 06/00340 en 06/00343, NTFR 2008/1396, r.o. 4.2, Hof ’s-Hertogenbosch 7 augustus 2008, nr. 07/00100, V-N 2009/7.36, r.o. 4.8; in Rechtbank Gelderland 24 februari 2020, nr. 17/6128, V-N Vandaag 2020/808.
Volgens de Hoge Raad moet de vraag of een toezegging van een inspecteur zo duidelijk in strijd is met een juiste wetstoepassing dat de belastingplichtige op nakoming ervan redelijkerwijs niet mocht rekenen, worden beantwoord naar de situatie op het moment dat de toezegging ter kennis van de belastingplichtige is gebracht; zie HR 1 december 2006, nr. 40 492, BNB 2007/259, r.o. 4.3.1.
In HR 8 februari 2008, nr. 43 681, BNB 2009/259; HR 16 april 2004, nr. 38 968, BNB 2004/219, r.o. 3.7.
Bijv. HR 14 februari 1990, nr. 26 402, BNB 1990/219, r.o. 4.3 en r.o. 7.6 van de hofuitspraak. Zie ook bijv. Rechtbank Noord-Holland 3 maart 2020, nr. 19/2313, V-N 2020/39.11, r.o. 26; Hof Den Haag 26 juni 2012, nr. 11/00410, r.o. 4.10 is het aan de inspecteur om feiten en omstandigheden met betrekking tot het kennis- en ervaringsniveau van een belastingadviseur te stellen die kunnen leiden tot het oordeel dat bij hem zodanige, aan belanghebbende toe te rekenen, kennis en ervaring aanwezig was dat hij belanghebbende ervan op de hoogte had moeten stellen dat de belastingplichtige in redelijkheid niet op nakoming van de toezegging mocht rekenen.
Happé 1996, p. 192 Happé spreekt in dit verband van ‘de marge tussen wetsconforme toepassing en niet-toelaatbare wetstoepassing contra legem’.
Vgl. gevallen waarin een uiting vanuit de wet beschouwd evident contra legem is, maar de belastingplichtige zich (kennelijk) dit niet hoefde te realiseren; Hof Amsterdam 23 mei 2013, nr. 11/00408, V-N 2013/42.12 (81 RO door Hoge Raad); Rechtbank Gelderland 24 februari 2020, nr. 17/6128, V-N Vandaag 2020/808; Van Nispen tot Sevenaer 1989, par. 2.1.2.
Denk aan een parallel met de ‘redelijkerwijs kenbare fout’ van artikel 16, lid 2, onderdeel c, AWR, waarbij als het ware in één oogopslag duidelijk moet zijn dat sprake is van een fout.
De benadering in twee uitersten ontleen ik aan Happé 1996, p. 175. Happé bespreekt het aspect van de strijdigheid met een juiste wetstoepassing aan de hand van twee (theoretische) uitersten (overigens in de context van inlichtingen, maar deze benadering geldt volgens hem in gelijke zin voor de onderhavige (vergelijkbare) voorwaarde bij toezeggingen, zie p. 192).
Bijv. in HR 8 juli 1985, nr. 22 984, BNB 1985/245 oordeelde de Hoge Raad dat een beroep op zowel aftrek ter voorkoming van dubbele belasting van zijn Antilliaanse pensioen als verrekening van op het pensioen ingehouden loonbelasting zo duidelijk in strijd was met een juiste wetstoepassing, dat belanghebbende op toepassing van beide door de inspecteur niet kon en mocht rekenen. In Hof ’s-Gravenhage 3 april 2012, nr. 11/00233, V-N 2012/56.21.9, r.o. 7.6.3, waarin het door de Inspecteur ingenomen standpunt – erop neerkomend dat belanghebbende mag voortgaan met het afschrijven op een bedrijfsmiddel zelfs nadat de restwaarde daarvan is bereikt – volgens het Hof zozeer in strijd met de geldende regelgeving dat belanghebbende zich in redelijkheid daarvan bewust had moeten zijn en derhalve niet op nakoming daarvan had mogen rekenen. Zie ook Hof Amsterdam 16 december 2010, nr. 09/00679, V-N 2011/11.4, r.o. 4.4.
Hof Arnhem-Leeuwarden 25 februari 2014, nr. 13/00689, V-N 2014/25.20.21, r.o. 4.8; Hof 's-Hertogenbosch 25 november 2011, nr. 11-00340, V-N 2012/17.2, ro 4.9.
Vakstudie Algemeen Deel, art. 11 AWR, aant. 1.11 (online, actueel t/m 28 januari 2022).
Vakstudie Algemeen Deel, art. 11 AWR, aant. 1.11 (online, actueel t/m 28 januari 2022). Zie Happé 1996, p. 175 over de situatie dat de wet interpretatieruimte bevat en de vraag is of de uiting een interpretatie inhoudt die binnen de bandbreedte van mogelijke interpretaties valt.
Indien een belastingplichtige een pleitbaar standpunt inneemt, kan hem geen grove schuld of opzet worden verweten en is voor een vergrijpboete geen plaats. Van een pleitbaar standpunt is sprake bij een standpunt dat naar zijn juridische merites bezien zozeer verdedigbaar is dat een belastingplichtige daar redelijkerwijs van uit mag gaan, hoewel het standpunt later door de rechter onjuist wordt bevonden (o.a. HR 21 april 2017, nr. 15/05278 en 15/05349 t/m 15/05356, BNB 2017/162; Douma e.a. 2021, par. 10.4.1.4).
In Hof Den Haag 16 maart 2016, nr. BK-15/00908, V-N 2016/31.22.4, r.o. 7.4 acht het Hof (o.a.) het ontbreken van kennis en deskundigheid ter zake bij belanghebbende van belang. In Hof Den Haag 12 september 2018, nr. 18/00394, V-N 2019/6.19, r.o. 6.9.2, weegt het Hof mee ‘het kennis- en ervaringsniveau van belanghebbende en haar gemachtigde’; Hof Arnhem-Leeuwarden 25 februari 2014, nr. 13/00689, V-N 2014/25.20.21, r.o. 4.8 (‘op fiscaal juridisch terrein als leek te beschouwen belastingplichtige’); in Hof ’s-Gravenhage 26 juni 2012, nr. 11/00410, https://www.navigator.nl/vakstudie/WKNL_CSL_606/document/idb352f9de58f540ef8597a7b9ca5e2ae2, V-N 2012/50.10, r.o. 7.4.2-7.4.3.
Bijv. Rechtbank Noord-Holland 3 maart 2020, nr. 19/2313, V-N 2020/39.11, r.o. 27 (aan de orde was een regeling die zeer specifiek was en een specialist van de Belastingdienst was ook niet van op de hoogte van die regeling); Hof Arnhem- Leeuwarden 25 februari 2014, nr. 13/00689, V-N 2014/25.20.21, r.o. 4.8.
Bijv. Rechtbank Noord-Holland 3 maart 2020, nr. 19/2313, V-N 2020/39.11; r.o. 27; Hof ’s-Hertogenbosch 7 augustus 2008, n.r. 07/00100, V-N 2009/7.36, r.o. 4.5.
Bijv. Hof Den Haag 16 maart 2016, nr. BK-15/00908, V-N 2016/31.22.4, r.o. 7.4 (vooraf gevoerde correspondentie en de reeds eerder toegelaten aftrekpost).
Rechtbank Breda 30 maart 2011, nr. 10/2551, V-N 2011/32.21.22, r.o. 2.10-2.11.
Als de toezegging evident strijdig is met een juiste wetstoepassing, mag de burger er niet op rekenen dat de Belastingdienst die toezegging nakomt.1 In de eerste plaats moet hieruit worden geconstateerd dat het enkele feit dat een standpunt contra legem is dus geen beletsel voor binding vormt. Oftewel, (óók) contra legem standpunten kunnen gerechtvaardigd vertrouwen wekken. Echter, een toezegging die ‘zichtbaar’ botst met een juiste wetstoepassing kan geen gerechtvaardigd vertrouwen wekken. Hoe moet worden bepaald of de toezegging zo strijdig is met de wet dat de burger in redelijkheid niet op nakoming daarvan mocht rekenen?2
Het aspect ‘in redelijkheid’ geeft aan dat de Hoge Raad een geobjectiveerde maatstaf hanteert. Van belang is niet of de concrete burger zich (subjectief) realiseerde dat de toezegging in strijd was met de wet, maar of een ‘redelijk denkende belastingplichtige’ dit onderkent.3 Daarbij het kennisniveau van ‘de redelijk oordelend belastingplichtige’ leidend en niet dat van een ‘belastingjurist’.4 Daarbij kan deskundigheid van bijvoorbeeld een ingeschakelde adviseur worden meegenomen in hetgeen redelijk wordt geacht.5
Voor wat betreft het aspect ‘niet zo duidelijk in strijd met een juiste wetstoepassing dat…’ impliceert die formulering een graduele (en niet absolute) benadering.6 Mijns inziens kan uit de formulering worden afgeleid dat het criterium niet zozeer is of de toezegging tegenwettelijk is, of in welke mate, maar in welke mate het contra legem karakter voor de burger duidelijk is (‘zo duidelijk … dat…’).7 Dat is een belangrijke nuance, omdat dit nadruk legt op het perspectief van degene bij wie het vertrouwen is gewekt en niet zozeer de wettekst als uitgangspunt neemt.8
Mijns inziens zijn bij de mate van duidelijkheid van het contra legem-karakter in theorie twee uitersten denkbaar.9 Aan het ene uiterste staan standpuntbepalingen die overduidelijk in strijd zijn met de wet. Denk aan gevallen in de categorie: ‘te mooi om waar te zijn’.10 Aan het andere uiterste staan toezeggingen die juist niet evident in strijd zijn met een juiste wetstoepassing.11 Oftewel, de gevallen waarbij een gemiddelde burger niet ziet (of hoeft te zien) dat de uiting haaks staat op de wet. De discussie zal veelal gaan om de grensgevallen. Daarbij zullen telkens de omstandigheden van het geval relevant zijn. Zo kan meespelen of het in de toezegging vervatte standpunt in redelijkheid te bepleiten is.12
In BNB 2007/259 toetst de Hoge Raad voor de beoordeling van de vraag of een toezegging zozeer in strijd was met een juiste wetstoepassing dat belanghebbende op nakoming daarvan redelijkerwijs niet mocht rekenen, of het in de toezegging vervatte standpunt in redelijkheid te bepleiten was.13 Hier dringt zich de vergelijking op met het leerstuk van het pleitbaar standpunt uit de boetesfeer.14 Hieruit leid ik af dat toezegging met daarin een pleitbaar standpunt niet zozeer in strijd is met de wet dat een belanghebbende in redelijkheid niet op nakoming zou mogen rekenen.
Andere omstandigheden die volgens de jurisprudentie kunnen meespelen zijn bijvoorbeeld de deskundigheid van de belastingplichtige15, de materie waarop de toezegging betrekking heeft16, de (specifieke) deskundigheid van de inspecteur17 en de ‘voorgeschiedenis’18 bij de toezegging.
Duidelijkheid van de wet betekent niet zonder meer dat een belastingplichtige moet beseffen dat een toezegging daarmee in strijd is, aldus het oordeel van Rechtbank Breda van 30 maart 2011:
‘Waar de belastingdienst (…) bij tenminste drie gelegenheden meende dat de bepalingen van de SW een interpretatie als door belanghebbende voorgestaan, toelieten, is kennelijk van duidelijke bewoordingen van de SW op dit stuk geen sprake. Het gaat dan niet aan om thans belanghebbende deze zogenoemde duidelijke bewoordingen tegen te werpen. Belanghebbende mocht er op vertrouwen dat de huurkosten in aftrek zouden worden toegelaten.’19
Kortom, als de Belastingdienst er zelf ‘naast’ zit bij een wetsinterpretatie, hoeft de belastingplichtige het niet beter te weten.