Einde inhoudsopgave
Het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel (FM nr. 170) 2021/6.6.2.c
6.6.2.c Spoedeisendheid
Anneke Els Keulemans, datum 01-08-2021
- Datum
01-08-2021
- Auteur
Anneke Els Keulemans
- JCDI
JCDI:ADS362986:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Beroepsfase
Fiscaal procesrecht / Procesorde
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Fiscaal bestuursrecht / Bezwaarfase
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HvJ 1 oktober 2009, zaak C-141/08, (Foshan), punt 79.
Conclusie van A-G Van Hilten van 30 maart 2015, nr. 10/02774, V-N 2015/20.6: A-G Van Hilten trekt eenzelfde conclusie naar aanleiding van de arresten van het HvJ in de zaken Kamino en Datema. Van Hilten concludeert dat het HvJ de lidstaten in hun relatie tot de Unie geen ruimte geven het vooraf-moeten-horen te gebruiken als excuus voor het niet naleven van de boekingstermijn van in die zaken twee dagen.
HR 14 november 2017, nr. 15/05787, BNB 2018/37, NTFR 2017/2938, r.o. 2.8.1.
HR 26 juni 2020, nr. 19/03226, V-N 2020/31.20, r.o. 3.5.2.
Zie aantekening bij HR 26 juni 2020, nr. 19/03226, V-N 2020/31.20.
Annotatie J.A.R. van Eijsden bij HR 15 mei 2020, nr. 18/01696, BNB 2020/136, onder 6.
Aan het opleggen van belastingaanslagen zijn termijnen verbonden. Na verloop van die termijnen is het opleggen van de aanslagen niet meer mogelijk. De verjaringstermijnen hebben tot gevolg dat bestuursorganen aan het einde van dergelijke termijnen soms bezwarende besluiten nemen en wegens het spoedeisende belang de belanghebbende niet meer de gelegenheid geven een standpunt naar behoren en effectief kenbaar te maken. Daar is dan geen tijd meer voor. De zaak Foshan geeft informatie over de vraag of een dergelijk belang het kenbaarmakingsbeginsel kan beperken.1 In dit arrest overweegt het Hof van Justitie:
“Ten slotte mogen de eventuele moeilijkheden van de instellingen om de in de basisverordening gestelde termijnen na te leven niet tot gevolg hebben dat de in die verordening voorziene termijnen ter bescherming van de rechten van verdediging van de betrokken ondernemingen worden geschonden. Het staat integendeel aan die instellingen – met name aan de Commissie – rekening te houden met de termijnen die bij die verordening worden opgelegd, en daarbij de rechten van verdediging van die ondernemingen in acht te nemen.”
Uit dit arrest is af te leiden dat het aan een bestuursorgaan is dergelijke termijnen in acht te nemen en in de gaten te houden. Een bestuursorgaan moet tijdig met het zicht op het einde van een termijn een belanghebbende uitnodigen een standpunt kenbaar te maken over de elementen waarop een bestuursorgaan een besluit wil baseren.2 Spoedeisendheid kan dus niet enkel zijn gelegen in het aflopen van wettelijke termijnen. De belastingdienst kent de termijnen, weet wanneer deze aflopen en moet, als hij nog een bezwarend besluit wil nemen, op tijd aan het werk, zodat het kenbaarmakingsbeginsel in acht kan worden genomen. Algemene termijnen kunnen op zichzelf het kenbaarmakingsbeginsel dus niet beperken. In die situaties is simpelweg geen sprake van spoedeisendheid. Eventuele individuele omstandigheden kunnen wellicht wel zo spoedeisend zijn dat hierdoor het kenbaarmakingsbeginsel kan worden beperkt, maar het moet dan wel gaan om situaties waarbij de belastingdienst geen verwijt van stilzitten of niet alert zijn, kan worden gemaakt. Hierbinnen past het arrest van de Hoge Raad van 14 november 2017, waarin is bepaald dat een omstandigheid kan zijn dat vanwege een niet aan de inspecteur toe te rekenen tijdsverloop de verjaringstermijnen in het gedrang komen.3 Daarentegen past het arrest van de Hoge Raad van 26 juni 2020 niet binnen voormelde uitleg van spoedeisendheid.4 De Hoge Raad acht de enkele aanwezigheid van een verjaringstermijn die dichtbij is voldoende voor een gerechtvaardigde beperking en neemt daarin geen individuele omstandigheden mee. Spoedeisendheid is van belang, maar mijns inziens is van spoedeisendheid geen sprake als de inspecteur stil heeft gezeten.5 Van Eijsden staat een gelijke visie voor.6 Spoedeisendheid in individuele gevallen, die niet aan het bestuursorgaan zijn toe te rekenen, kunnen een verzwarend effect hebben op het gewicht te voldoen aan het met het kenbaarmakingsbeginsel concurrerende beginsel.