Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer
Einde inhoudsopgave
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/15.2.1:15.2.1 Certificaathouder is economisch eigenaar
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/15.2.1
15.2.1 Certificaathouder is economisch eigenaar
Documentgegevens:
Mr. dr. A.E. de Leeuw, datum 29-02-2020
- Datum
29-02-2020
- Auteur
Mr. dr. A.E. de Leeuw
- JCDI
JCDI:ADS232763:1
- Vakgebied(en)
Vermogensbelasting (V)
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit geval wordt met een eventueel waardedrukkend effect van certificering geen rekening gehouden. Overigens zal hiermee buiten fiscale context wel rekening gehouden worden, aangezien bijvoorbeeld een koper de uit de administratievoorwaarden voortvloeiende beperkingen wel mee zal nemen in de prijs die hij bereid is om voor de certificaten te betalen. In hoeverre sprake is van een verschil in waardering tussen de certificaten en het gecertificeerde vermogen, hangt sterk af van de omstandigheden en ook van de plaats die de certificaten en het gecertificeerde vermogen in het vermogen van de certificaathouder (zouden) innemen. Indien in beide gevallen sprake is van een belegging, is bijvoorbeeld het waardedrukkende effect van certificering geringer, dan wanneer een meerderheidspakket aandelen gecertificeerd is.
De vraag is vervolgens of het in fiscale context negeren van een dergelijk waardeverschil als een knelpunt beschouwd dient te worden. Mijns inziens is dit niet het geval, om een aantal redenen:
De omstandigheid dat de certificaathouder als fiscale eigenaar van het gecertificeerde vermogen beschouwd wordt, is gebaseerd op het feit dat hem het volledige economische belang bij dat vermogen toekomt. Op enig moment zal hij dus ook de waarde van dit onderliggende vermogen kunnen realiseren, zij het doorgaans niet onmiddellijk. Bij certificering als beschermingsfiguur ligt althans voor de hand dat de certificaathouder beperkt zal zijn in zijn mogelijkheden om zijn certificaten direct te verzilveren.
Er staan ook fiscale faciliteiten en toepassing van vrijstellingen tegenover de hogere in aanmerking te nemen waarde. Voor wat betreft dat laatste impliceert een coherent systeem althans dat dat zo zou moeten zijn. Voor box 3 luidt het beleid van de staatssecretaris echter anders: hij is van mening dat de box 3-vrijstellingen niet van toepassing zijn met betrekking tot certificaten. Indien sprake is van economische eigendom, zou dit naar mijn mening echter wel het geval moeten zijn.1
Het negeren van het waardeverschil kan gezien worden als een nadeel, maar ten opzichte van de situatie waarin niet gecertificeerd is, is daar geen sprake van. In zoverre is dus geen sprake van een knelpunt: omdat de positie niet fiscaal nadeliger wordt, is daarin geen reden gelegen om de insteller van de certificering van vermogen te weerhouden. Het is uiteraard niet nodig dat men met een beschermingsfiguur, die primair civielrechtelijk gemotiveerd is, ook een fiscaal voordeel zou moeten kunnen behalen.
Een knelpunt lijkt mij wél, dat de certificaathouder mogelijk belasting moet betalen over een waarde die hij niet direct kan realiseren. Dit speelt bij forfaitaire heffing van box 2 en box 3, overigens is de heffing gekoppeld aan daadwerkelijke inkomsten c.q. vervreemdingswinsten en niet aan de waarde als zodanig. Het moeten betalen van belasting zonder dat men de middelen daartoe verkrijgt is echter een ander vraagstuk dan de waardering als zodanig. Voorts kan de situatie van belastingheffing zonder concrete inkomsten om deze uit te voldoen zich ook in andere situaties voordoen, zoals realisatie door de STAK die bij de certificaathouder tot belastingheffing leidt zonder dat uitkering van die inkomsten aan de certificaathouder plaatsvindt. Dit knelpunt, alsmede een voorstel voor een oplossing daarvan, worden besproken in paragraaf 15.3.3.
Volledigheidshalve merk ik op dat mijns inziens bij een APV de waardering evenmin een knelpunt vormt. Als gevolg van de toerekening wordt de belastingheffing in dit geval ook gebaseerd op de waarde in het economische verkeer. Het is ook in deze situatie echter naar mijn mening niet zozeer de waarde, waartegen het vermogen in de heffing betrokken wordt, die een probleem kan vormen, als wel de omstandigheid dat de begunstigde van het APV belasting moet betalen zonder (ooit) de beschikking te krijgen over middelen om deze belasting te voldoen. Op dit punt ga ik nader in in paragraaf 15.3.4. Iets vergelijkbaars geldt ten slotte voor een bewind: hieraan komt geen waardedrukkend effect toe, maar aangezien de heffing ook niet zwaarder wordt, is naar mijn mening geen sprake van een knelpunt.2 In het laatste geval is de rechthebbende bovendien ook volledig gerechtigd tot de waarde van het onder bewind gestelde goed, maar is hij beperkt in zijn mogelijkheden om hierover te beschikken.
Overigens merk ik voor de volledigheid op, dat de jurisprudentie inzake de waardering van certificaten met name betrekking heeft op de vraag in hoeverre certificering een waardedrukkend effect heeft en de vraag welke waarderingsmethode moet worden toegepast, maar niet zo zeer de vraag of sprake is van economische eigendom en, zo ja, hoe dit de waardering beïnvloedt.