Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/7.4.5.2
7.4.5.2 Bewijspositie na omkering: eerst een redelijke schatting, dan doen blijken
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940234:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 7.4.2.1.
HR 31 mei 2013, V-N 2013/28.7, BNB 2013/181, HR 28 maart 2003, BNB 2003/203. De Hoge Raad heeft het begrip ‘redelijke schatting’ ook gehanteerd in het kader van de navorderingsbevoegdheid van art. 16 lid 1 AWR (in het specifieke geval dat er geen definitieve aanslag is opgelegd), zie HR 22 april 2022, V-N 2022/19.11, r.o. 3.2.3 en 3.4. Naar mijn mening wordt daarmee inhoudelijk echter niet hetzelfde bedoeld als de redelijke schatting in het kader van de omkering.
HR 18 augustus 2023, V-N 2023/37.19, r.o. 3.2.2, HR 27 januari 2006, V-N 2006/8.5, BNB 2006/134. Zie ook HR 15 april 2011, BNB 2011/206 en HR 15 april 2011, BNB 2011/207, V-N 2011/20.4 (KBLux, modelmatige benadering). Zie voor enkele (andere) voorbeelden waarin er geen sprake was van een redelijke schatting Hof Den Haag 29 juli 2015, V-N 2015/52.7, Hof Den Haag 27 mei 2015, V-N 2015/39.7, r.o. 7.3, Hof ‘s-Hertogenbosch 4 december 2020, V-N 2021/11.23.3, r.o. 4.19, Hof ’s-Hertogenbosch 14 december 2022, V-N 2023/43.18, r.o. 4.9-4.10 en Rechtbank Gelderland 9 maart 2023, V-N 2023/37.25.9, r.o. 21.
HR 18 augustus 2023, V-N 2023/37.19, r.o. 3.2.2, HR 17 augustus 2018, V-N 2018/42.21, BNB 2018/178, r.o. 2.4.
Zie HR 18 augustus 2023, V-N 2023/37.19, r.o. 3.2.3.
Zie HR 18 augustus 2023, V-N 2023/37.19, r.o. 3.2.1-3.2.2. De Redactie Vakstudie-Nieuws merkt in de Aantekening in dit verband (enigszins geparafraseerd) op dat inkomsten waarvan het bestaan niet volgens de reguliere regels aannemelijk is geworden, niet alsnog aannemelijk worden door de toepassing van de omkering.
Zie paragraaf 7.3.8.3.2.
Zie bijvoorbeeld Hof Den Haag 24 februari 2016, V-N 2016/28.4 (waartegen desondanks – met toelichting – geen cassatie werd ingesteld door de Staatssecretaris van Financiën, zie V-N 2017/9.8), Hof Amsterdam 14 juni 2022, V-N 2022/41.5 (r.o. 13 van de voorafgaande uitspraak van de rechtbank), alsmede de zaak die heeft geleid tot HR 8 juli 2016, V-N 2016/40.6 (r.o. 6.8 van de Hofuitspraak). Wellicht is bedoeld te zeggen dat de redelijkheid van de schatting niet te zeer betwijfeld mag worden.
Aldus ook: Redactie Vakstudie-Nieuws in de Aantekening bij HR 17 augustus 2018, V-N 2018/42.21, BNB 2018/178, r.o. 2.4-2.5.1 (en bij Hof Den Haag 24 februari 2016, V-N 2016/28.4). Vgl. in dit verband ook HR 13 november 2015, V-N 2015/61.8, BNB 2016/20.
HR 9 juli 2021, V-N 2021/30.21, BNB 2021/138, r.o. 3.3.2.
HR 18 augustus 2023, V-N 2023/37.19, r.o. 3.2.3.
HR 28 maart 2003, BNB 2003/203, r.o. 3.4.
HR 18 augustus 2023, V-N 2023/37.19, r.o. 3.4.3. Zie voor een voorbeeld Hof ’s-Hertogenbosch 14 december 2022, V-N 2023/43.18, r.o. 4.12.
Dus niet alleen met ervaringsregels, zonder enig concreet aanknopingspunt (vgl. Rb Noord-Holland 10 november 2016, V-N 2017/12.7, r.o. 3.14 (zie voor de afloop in sprongcassatie HR 16 maart 2018, V-N 2018/15.4, BNB 2018/88)). Ook kan niet voorbij worden gaan aan de vastgestelde feiten, althans niet zonder nadere motivering (HR 14 april 2017, V-N 2017/24.8, BNB 2017/223, r.o. 2.7.1-2.7.3).
HR 31 mei 2013, V-N 2013/28.7, BNB 2013/181.
HR 18 augustus 2023, V-N 2023/37.19, r.o. 3.2.1, HR 17 augustus 2018, V-N 2018/42.21, BNB 2018/178, r.o. 2.4-2.5.1. De inspecteur hoeft dan ook niet altijd te stellen en aannemelijk te maken welke bron van inkomen aan de aanslag ten grondslag ligt.
Hof Arnhem-Leeuwarden 17 december 2019, V-N 2020/16.24, r.o. 4.5 e.v.. Het Hof grondde deze eis op het zorgvuldigheidsbeginsel. De Redactie Vakstudie-Nieuws is het blijkens de Aantekening niet eens met het Hof en vindt dat in zulke gevallen compensatie moet worden geboden door de tegenbewijsgradatie te verlagen (dus minder dan ‘doen blijken’ te eisen van de belastingplichtige). Dat is naar mijn mening echter onjuist, omdat de hierna te bespreken vaste toetsingsvolgorde voorschrijft dat eerst beoordeeld moet worden of de schatting redelijk is. Zodra dat het geval is, staat er niets meer in de weg aan het eisen van de zware tegenbewijsgradatie (dat is dan juist de bedoeling).
Zie daarover nader paragraaf 7.3.7.4.2 en paragraaf 7.4.4.3.1.
Zie HR 13 oktober 2023, V-N 2023/47.17, r.o. 3.2.1 versus r.o. 3.2.2.
HR 9 juli 2021, V-N 2021/30.21, BNB 2021/138, r.o. 3.3.2. In de betreffende casus rechtvaardigde een aannemelijk gemaakte brutowinstmarge van 75 % een redelijke schatting van 100 %.
Aldus ook: Redactie Vakstudie-Nieuws in de Aantekening bij Hof Amsterdam 30 augustus 2016, V-N 2016/66.6, bij Rb Den Haag 24 november 2016, V-N 2017/7.5 (zie met name r.o. 17 en 18), en bij Hof Amsterdam 16 mei 2019, V-N 2019/38.17.
De Hoge Raad heeft zich nog niet uitgelaten over de vraag of de rechter de redelijkheid van de schatting ook ambtshalve mag (of moet) toetsen. Het lijkt erop dat dit in de praktijk wel gebeurt, zie bijvoorbeeld Hof ’s-Hertogenbosch 28 mei 2020, V-N 2020/40.8, r.o. 4.33.
HR 27 januari 2006, V-N 2006/8.5, BNB 2006/134, HR 31 mei 2013, V-N 2013/28.7, BNB 2013/181, Hof Amsterdam 30 augustus 2016, V-N 2016/66.6, Hof Arnhem-Leeuwarden 17 december 2019, V-N 2020/16.24, r.o. 4.5.
Hof ’s-Hertogenbosch 14 december 2022, V-N 2023/43.18 heeft dit naar mijn mening over het hoofd gezien (het Hof stelde in r.o. 4.11 eerst vast dat de belastingplichtige niet aan de zware tegenbewijslast had voldaan, om vervolgens in r.o. 4.12 zelf te gaan schatten).
De inspecteur kan wellicht uit de vaststaande feiten (vgl. de triggers voor de omkering) wel een vermoeden construeren dat de belastingplichtige de beschikking heeft gehad over inkomsten of vermogen, maar daarmee is nog niet gegeven dat er voldoende aanknopingspunten zijn voor de belastbaarheid van die inkomsten of dat vermogen.
HR 27 december 1956, BNB 1957/40, HR 26 mei 1982, BNB 1982/213. Zie ook Hof ’s-Hertogenbosch 10 februari 2017, V-N 2017/24.6, r.o. 4.13. Vgl. voorts Rb Noord-Holland 10 november 2016, V-N 2017/12.7, r.o. 3.15 (zie voor de afloop in sprongcassatie HR 16 maart 2018, V-N 2018/15.4, BNB 2018/88).
HR 17 augustus 2018, V-N 2018/42.21, BNB 2018/178, r.o. 2.4-2.5.1.
Zie voor enkele geslaagde voorbeelden HR 29 april 1992, BNB 1992/332 (r.o. 5.2 van de Hofuitspraak), Hof Den Haag 7 maart 2023, V-N 2023/30.9 en (na een onherroepelijke informatiebeschikking) Hof Den Haag 6 december 2016, V-N 2017/22.5. Zie voorts HR 12 maart 1997, BNB 1997/137.
Koopman 1996, p. 154 wijst er terecht op dat hierover gemakkelijk verwarring kan ontstaan.
Zie daaromtrent nader paragraaf 7.3.10.3.1.
Zie Koopman 1996, p. 154-155, Feteris 2007, p. 319, en voor een voorbeeld: HR 12 maart 1997, BNB 1997/137. De rechter zou bijvoorbeeld kunnen overwegen om vanwege het gebrek aan medewerking de regeling van art. 8:31 Awb toe te passen, door daaruit ‘de gevolgtrekkingen te maken die hem geraden voorkomen’. Zie over art. 8:31 Awb nader paragraaf 7.3.6.4.2 en 7.3.10.3.1.
Zie paragraaf 7.3.7.
HR 1 december 1993, BNB 1994/65.
Zie hieromtrent nader paragraaf 7.3.7.3.2.
HR 28 februari 2001, NTFR 2001/365, HR 12 maart 1997, BNB 1997/137.
HR 1 december 1993, BNB 1994/65.
Zie de KBLux-zaak die leidde tot HR 14 september 2012, V-N 2012/51.1.1 (art. 81 Wet RO).
Art. 8:31 Awb, waaromtrent nader in paragraaf 7.3.6.4.2 en 7.3.10.3.1. Zie voor een voorbeeld Hof ’s-Gravenhage 24 juli 2013, V-N 2013/55.5.
Koopman 1996, p. 155 noemt een voorbeeld uit de jurisprudentie waarin een dergelijk geval zich inderdaad voordeed: Hof Amsterdam 30 mei 1995, V-N 1995, p. 3380.
Als de omkering van de bewijslast eenmaal van toepassing is, zou de belastingplichtige op grond van de letterlijke tekst van de wettelijke regeling in feite volkomen zijn overgeleverd aan de grillen van de inspecteur. Hij moet dan immers de onjuistheid van de opgelegde aanslag doen blijken.1 Toch wordt de soep niet zo heet gegeten als hij wordt opgediend. De inspecteur dient bij het bepalen van de hoogte van de aanslag namelijk steeds een redelijke schatting te hanteren. Het vereiste van de redelijke schatting beoogt te voorkomen dat een aanslag naar willekeur wordt vastgesteld.2 Op de inspecteur rust de taak om zijn schatting zodanig met feitelijke stellingen te onderbouwen dat die schatting de redelijkheidstoets kan doorstaan.3 De schatting moet redelijk en dus niet willekeurig zijn.4 Dat laat onverlet dat die schatting qua omvang wel aan de ruime kant mag uitvallen.5 Dat is waar de redelijke schatting vooral betekenis heeft: het gaat om de berekening van het bedrag van de aanslag, dus om de hoogte van dat bedrag c.q. de omvang van de inkomsten of het vermogen.6
De bewijsgradatie die geldt voor de onderbouwing van de redelijke schatting is dus tamelijk mager. Naar mijn opvatting is deze het best vergelijkbaar met (het spiegelbeeld van) de bewijsgradatie zoals die geldt voor het ontzenuwen van vermoedens:7 als de schatting maar redelijkerwijs houdbaar is, blijft deze overeind. In de jurisprudentie wordt niettemin dikwijls als uitgangspunt genomen dat de inspecteur gehouden zou zijn om aannemelijk te maken dat de schatting redelijk is.8 Dat is naar mijn mening onjuist.9 De Hoge Raad heeft uitdrukkelijk overwogen dat de beoordeling of een schatting redelijk is, een ‘minder strenge’ toets behelst dan aannemelijk maken10 en dat die beoordeling niet zover gaat dat de inspecteur aannemelijk moet maken dat de schatting overeenkomt met de werkelijk verschuldigde belasting.11
Als de schatting van de inspecteur niet redelijk (en dus willekeurig) is, moet de rechter zelf een schatting maken aan de hand van wat in de zaak is komen vast te staan.12 De rechter die aldus een schatting van de inspecteur afwijst (omdat die niet redelijk is) en vervangt door een eigen schatting (die wél redelijk is), heeft slechts een beperkte motiveringsplicht.13
Wanneer de inspecteur erin slaagt om de redelijke schatting in voldoende mate met feitelijke stellingen te onderbouwen,14 zodanig dat deze niet willekeurig is, ligt het vervolgens op de weg van de belastingplichtige het verzwaarde tegenbewijs te leveren.15
De inspecteur moet, op basis van de feiten en omstandigheden van het geval, aanknopingspunten verschaffen waaruit is af te leiden dat zijn schatting niet onredelijk en dus niet willekeurig is. Bij de beantwoording van de vraag welke aanknopingspunten in het concrete geval voldoende zijn, weegt mee in hoeverre de inspecteur beschikt over de benodigde gegevens en in hoeverre de belastingplichtige in staat is om ontbrekende gegevens aan te leveren.16 Des te minder gegevens de inspecteur heeft, des te eerder kunnen de aanknopingspunten voldoende zijn. Als de (weinige) concrete aanknopingspunten in redelijkheid aanleiding geven tot (enig) nader onderzoek, bijvoorbeeld omdat de belastingplichtige een alternatief scenario aannemelijk maakt, zal de inspecteur dat nader onderzoek echter wel moeten doen: anders is de schatting onredelijk.17
Het eigen karakter van de bewijsgradatie die geldt voor de redelijke schatting komt fraai naar voren in gevallen waarin de inspecteur (tevens) een ‘gemotiveerde schatting’ heeft gemaakt. Dat begrip speelt een rol als de inspecteur weliswaar gebreken in de administratie heeft vastgesteld, maar terzake geen informatiebeschikking heeft genomen.18 Ter invulling van de op hem rustende (reguliere) bewijslast kan de inspecteur in zulke gevallen in eerste instantie volstaan met een gemotiveerde schatting van de winst of de omzet. Daarmee maakt de inspecteur dan dus de volgens hem behaalde winst of omzet aannemelijk. Als de aldus bepaalde afwijking van de aangegeven winst of omzet voldoende is voor de conclusie dat de vereiste aangifte niet is gedaan (categorie I-trigger), kan er omkering van de bewijslast volgen.19 In dat kader moet de inspecteur een redelijke schatting maken. Die redelijke schatting kan hoger zijn dan de gemotiveerde schatting.20
Uit de wettelijke systematiek vloeit op dit punt een vaste toetsingsvolgorde voort, die in de jurisprudentie dikwijls onjuist wordt toegepast.21 Eerst dient te worden beoordeeld of de schatting van de inspecteur de redelijkheidstoets kan doorstaan. De belastingplichtige kan de redelijkheid van de schatting als zodanig betwisten. De rechter toetst dan of de schatting al dan niet willekeurig is.22 Pas wanneer vast is komen te staan dat de schatting op zichzelf aanvaardbaar is, komt de vraag aan de orde of de belastingplichtige overtuigend heeft aangetoond dat die schatting onjuist is.23 Wordt de schatting niet redelijk bevonden, behoeft die vraag geen beantwoording meer (maar moet de rechter zelf gaan schatten).24
De redelijkheid speelt ook een rol in gevallen waarin de inspecteur, nadat een onjuistheid is gebleken ten aanzien van een bepaald onderdeel van zijn schatting, die schatting toch overeind wil houden. De redenering is dan: er zijn mogelijk nog andere, onbekende belastbare posten en omdat de omkering van toepassing is, moet de belastingplichtige maar doen blijken dat het niet zo is. Er blijft dan in wezen slechts een bedrag over, zonder dat is gespecificeerd waaruit dat bedrag is opgebouwd.25 De Hoge Raad casseert in dergelijke gevallen, omdat de belastingplichtige te allen tijde in de gelegenheid moet zijn om het vereiste (verzwaarde) tegenbewijs te leveren. Uit enkele oudere arresten kan in dit verband worden afgeleid dat de inspecteur moet aangeven uit welke bron de belastingplichtige inkomen zou hebben genoten.26 Daar staat echter tegenover dat de Hoge Raad meer recent heeft bepaald dat de inspecteur onder omstandigheden (vooral wanneer hij over erg weinig concrete gegevens beschikt) niet hoeft aan te wijzen uit welke bron van inkomen de geschatte inkomsten volgens hem afkomstig zijn.27
Als eenmaal vaststaat dat de schatting op zichzelf redelijk is, moet de belastingplichtige in de gelegenheid worden gesteld om tegenbewijs te leveren (naar de verzwaarde gradatie van doen blijken).28 Daarbij gelden procesrechtelijk geen bijzondere, voor de belastingplichtige nadelige spelregels.29 De sanctie is immers van toepassing omdat de belastingplichtige niet mee heeft gewerkt aan een onderzoek van de inspecteur, niet omdat de belastingplichtige niet heeft meegewerkt aan het (feiten)onderzoek van de rechter.30 De rechter moet niet in de verleiding komen om de falende medewerking voorafgaand aan de beroepsfase te laten meewegen in de beroepsfase.31 De rechter zal de belastingplichtige dus de gelegenheid moeten bieden om aan de verzwaarde bewijslast te voldoen, op dezelfde wijze en onder dezelfde voorwaarden als wanneer de bewijslast niet zou zijn omgekeerd,32 ook als hij de omkering ambtshalve heeft toegepast.
Het is mogelijk dat de belastingplichtige het vereiste tegenbewijs levert doordat hij alsnog voldoet aan de geschonden informatieverplichting (die de omkering heeft veroorzaakt).33 De rechter mag een in eerste instantie geweigerde, maar in beroep alsnog gegeven verklaringen of stukken dus niet zomaar als tardief34 negeren,35 en moet een bewijsaanbod terzake in beginsel honoreren.36 Dat laat onverlet dat in beroep de grenzen van een goede procesorde gelden: de belastingplichtige die zonder geldige reden te lang wacht met het overleggen van (op zichzelf overtuigende) bewijsstukken, kan zichzelf bijvoorbeeld in de vingers snijden.37 Het omgekeerde is ook mogelijk. Als de inspecteur in de beroepsfase weigert om mee te werken aan het feitenonderzoek van de rechter, dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekkingen maken die hem geraden voorkomen.38 In extremo kan dat tot gevolg hebben dat de belastingplichtige geacht wordt te zijn geslaagd in het van hem vereiste tegenbewijs naar de zware gradatie.39